gezicht afwachtend Heins antwoord, — ik heb je 'n paar leuke nieuwtjes te vertelle.
Hein wou niet weigeren, plomp; hij had 'm zoo lang al genegeerd, en ook nou wou ie 'm den indruk niet geven alsof ie bang voor 'm was.
— Zeker kan je meegaan... maar lang mag je niet blijve... he?... want tege acht uur moet ik op vergadering zijn.
— Zoo zoo!... loopt meneer tegenwoordig zoo druk naa ver-gaderinge?... zoo zoo!
Onder Rozalie's schampere spot-zoo's waren ze 't slop ingeloopen, en inééns naar boven gewipt, Rozalie kleintjes achter Hols aan, bang, stoot-tastend in deur en gangdonkering.
— God-vergeef-me, wat 'n rotstank hier!... nee, zoo erg is 't bij mij nog niet! — schreeuwde Rozalie, achter Heins hielen aanstrompelend in hakkenlawaai, met één hand z'n neus dichtknijpend.
— Wacht, zet jij je nou maar neer op die stoel daar... nee, daar in 't hoekie... wat?... staat 'r niks?... nou, wacht es... hê-je lucifers, Rozalie... hier... schuifel zachies terug... blijf jij daar maar effe staan, dan zal ik 't lampie opsteke.
En Hein tastte in 't donker naar de hand van Rozalie, die naar lucifers gegrabbeld had in z'n zakken, 'n Geelrooie flap lichtte op, kromp toen vlammetjes-blauw-geel inéén, 't donker hokje besche-merend. Hein was recht op z'n tafeltje aangeloopen om zijn lampje te krijgen, maar er stond niets.
— Verdomme! — vloekte ie, grommig-driftig grabbelend in duistere hoeken en scheeve balkinhammen, —־ waar hêt moeder nou weer dat lampie gezet?
Overal liep ie met 't flauwige waailicht van lucifers-vlammetjes, dat uitging door gebaren van drift-ongeduld, telkens haastiger aanstrepend 'n ander, rondscharrelend en pruttelend in 't stikdonkere hokje zonder iets te vinden. Rozalie stond vreemd-onzeker in 't nauwe zoldergangetje, vlak bij de trap, roerloos, doodsbang dat ie bij de minste beweging ergens af- of intuimelen zou.
— Nou, — zei Hein nijdig, — ik zie niks!... geen stoel is 'r ook!... moeder heeft zeker hier alles late schoonmake en niks op z'n plaats gezet... late we maar naa benede gaan.
— Bon!... loop dan nog 'n straatje met me om, wi-je?... en zeg dan effe benede, dat je over 'n kwartiertje éte komt, hê ?
Weer wou Hein niet weigeren, omdat ie 'n zonderlingen klem in de stem van Rozalie hoorde, alsof ie 'm iets heel ernstigs te zeggen had. Even vloog er lichte angst naar z'n keel, alsof ie zich duizelig voelde worden met strakke-schrikduwen in z'n beenen. Want in de kersepit-oogjes van Rozalie zag ie 't valsch-venijnig lichten, 't Slopje liepen ze uit, den Voorburgwal op naar de Haarlemmerstraat. — Rozalie begon zacht:
— Morge kom 'k bij jou op fabriek werke,... ik heb 'n andere baas.
— Zoo?... op ónze kamer? — vroeg Hein, 'n beetje gebluft