116
eenzaamheid van vroeger nu was ie gaan zien als 'n stadium in z'n bestaan, noodig om dieper nog in de waarheid te dringen, hoe grootsch 't leven is in 'n vol gemeenschaps-ideaal, met ontplooi ng׳ van al-menschelijke krachten. Juist op die eenzaamheidswandelingen, dat mijmeren van z'n ziel in 'n oneindige ruimte, had ie de smart-vormen van 't leven in uiterste fijnheid doortast, geheel beheerscht nog door z'n naïefste ideaal van anarchisme. Toen ie Zeelt leerde kennen, en z'n vrijheidsdenkbeelden telkens heviger stootjes hadden gekregen, was ie in diezelfde eenzaamheidssfeer gaan staan met nieuw woelende drukte in z'n hoofd, en z'n zielekreten waren gaan klinken, in de stilte; en uitgesnikt had toen alles in 'm. Nog was ie blij dat ie zooveel beroeringen had ondergaan. Want diep verafschuwde ie 't hartstochtlooze bestaan, 't rustig-zich-in-schijnkalmte-van-geluk-neervleien zattig tegen 't leven, glimlachend in meerderheidskracht, proevend zalige persoonsgenietinkjes en wijzere gemoedsrust. Dat haatte ie, en gelukkig was ie dat ie altijd wist die knullen te zullen uitstooten z'n heele leven lang, en ie rijker zou zijn dan de vadsige, patserige, kalme-gelukkige, die öf geen innerlijk had, geen schokken voelde, öf venijnige angsten en teleurstellingen verborgen hield achter 'n schijn van levenszalving. Niets betreurde ie van z'n vroeger leven, omdat ie eerst nü goed inzag hoe gevaarlijk 't was hersenschimmen als werkelijkheden voor te spiegelen aan 'n massa die direkt bestaan moest dóór bevrediging van levende, hevige behoeften aan alles. Hoe gevaarlijk de zotte onderscheiding werd tusschen individualistisch en anarchistisch kommunisme, die 't heele leven van de proletariërs in de war kon brengen, hun orga-nizatie en hoogere vereenigingsidee moest verbrokkelen, vernielen door afbreking alleen, door hun ontkenning van eiken positieven arbeid; met grijnslol bekeken door de bourgeoisie, die niets liever zag dan versnippering van krachten, juist onder de groote proletarische massa.
II.
Op 'n avond van de fabriek komend, waar ie weer voor 'n paar dagen aan 't werk was gegaan, den hoek omslaand van den Voorburgwal, hoorde ie sissen. Hij keek om en zag Rozalie. Geen reden bestond er meer om 'm te ontduiken. Wou ie toevallig iets op Eva zeggen, dan zou ie 'm smeren. Hij bleef staan wachten tot Rozalie, klein, lacherig-sarrend met z'n rooien kop en wild-zwarte oogjes, bij 'm was.
— Zoo Hein!... donders kerel, wat bi-jij gegroeid!... en wat heb 'k jou in geen tijd gezien! — kweelde z'n stem zacht-gedempt, vriendelijk.
— Ja! — antwoordde droog Hein, — 'n heele poos niet.
— Vin j't goed dat 'k effe mit je meega naa je kamertje? — vroeg Rozalie luchtigjes, maar met onderdrukte spanning in z'n