5
die voor den uit bourgeois-kringen tot hen komenden socialist theoretische levensvormen waren geweest en voor 'n deel zelfs altijd zouên blijven, had hij nu door folterende zwoegerspraktijk leeren kennen in diepsten aard. Zoo behoefde veel voor hem geen omschrijving meer. Midden in 't leven stond ie met z'n voeten ijzervast in den grond gestampt; bespiegelde ie niet meer fantasterig over toekomst, maar deed en handelde. En toch dacht, voelde, doorleefde ie met heerlijke warmte wat ie zoo goddelijk vond en bewonderde in de natuur, al wou ie niets meer hooren van apart zielsmooi, eigen droom-mooi, als dat kunstleven niet heelemaal geïnspireerd was op de verlossingsidee van de zwoegende menschheid in alle vormen, een massa die nu nog vastgeklonken zat in de ontzettingshei van ellende en gelukloosheid, in vale levensduistering. O, ja! laten ze maar opkomen, die nuchteren, die'm zouên zeggen dat ie ijlt, dat z'n geestdrift waanzin en z'n liefde ziekelijke overprikkeling was. Laten ze maar komen tot hèm, pessimistische naturen, die 'm zouên beglimlachen om z'n vreugde, en 'm sarrend vragen of ie nooit gehoord had van de Smart, dien duisteren Satan, die 't leven vergalt, en dikwijls in de gestalte van weemoed, van klagelijk gejammer, of van onbestemd, diep heimweeverlangen vermomd, opdoemt tusschen de onschuld van diep-joelende, frissche levensvreugd. Hij zou ze antwoorden ; hij zou ze laten voelen dat alleen zóó 'n geestdrift eerst leven laat, eerst zóó 'n liefde geluk geurt om de ziel. Hij zou ze laten schroeien aan 't vuur van z'n hartstocht, die alleen leefde voor iets dat 't hoogste omvatte. En daarin zou ie toonen te kunnen ontleden, te kunnen uitrafelen als zij; daarin zou ie zeggen met stille stem van eigen smart in al haar duistere gedaanten, die ie had zien schimmen in ziektewijken: daarin zou ie spreken van eigen weifeling en treurnis, van eigen zwartgallig gedobber en denkmoeheid. En hij zou spreken van hun ziekelijkheden, een voor een, in verbijsterend fijne ontrafeling van hun berekenzucht, hun prikkelingen en hun nuchterheden. Dat alles zou ie doen om zich te geven, uit te storten voor alles wat leefde, voor alles wat óp kwam marcheeren zijn weg nu. En deden ze 't niet, dan zou ie toch hen blijven zien als menschen die niet anders kunnen, gedreven door krachten in hen die ze zelf niet verstaan noch beheerschen; met onder hen veel die tot groote karakters hadden kunnen groeien, als andere krachten ze weer niet kluisterden aan egoïsme, bezit, standentrots en vooroordeel, en 't noodlot ze niet gedoemd had blind te blijven voor 't heerlijk licht van nieuw leven. En dan mochten ze om'm schateren, gieren van lol dat hij, stumperig werkmannetje, heel den levenshorizon wou overzien; dan mochten ze om 'm dansen in wilden roes van ander bewustzijn, dat zij veel hooger reikten in uitingen waar hij blind voor was, — dat raakte 'm niet meer; zeggen zóu ie 't, aangevallen eenmaal om dat enthousiasme en dat geestesleven. En dan altijd vond ie tijd om te wandelen, te peinzen, blij zich-zelf verlost te hebben uit verward gewikkel van absolute denksels, waar ie eigenlijk nooit goed zich aan gegeven had. Z'n