111
wend, zoo voorbijgaand zachtjes-negeerend en terugdringend z'n onstuimig kijken en verlangen. Hij moest in 't schaduwhoekje van 'n geheime sympathie blijven staan; misschien wel om'n grillig gevoel dat heelemaal zou verslappen, als ze meer uit gesprekken eens goed bemerken zou hoe weinig ie was, hoe onontwikkeld, hoe lomp, schuw, en onbeschaafd, als ze genoeg had van z'n sociale voelingen, z'n rechtsgevoel, waar toch alles om draaide en waarin ie zich voelde als haar meerdere. Als ze genoeg zou hebben van z'n star wijzen op levenswrakken, afgerot, weggemolmd menschenbestaan, waar zij niets zag dan iets kleurigs, iets schilderachtigs of ander soort mooi. Scherper begreep ie dat ie zich moest losmaken van 'n sympathie die 'm overal aangreep; dat 't malligheid was, voor 'n meisje uit zoo'n stand zooveel te voelen; dat ie weg móest uit die rare, onzekere bekoring die zij voor 'm had, die onbestemde, heerlijk-schokkende tooverij met haar stem, haar gezicht, haar oogen, haar gestalte; dat zóó iets allemaal niet voor hèm was, nooit zou zijn, en 'm diep ongelukkig móest maken als ie 'r aan hangen bleef. Zij was en bleef 'n vrouw uit héél andere klasse, die heel anders leefde dan hij, heel anders moest denken, 't leven zien, nog vol zat van naren standentrots, vooroordeel en vertroeteling van bizondere gevoelentjes; omdat ze 't geweldige proletarische ideaal niet kende, niet de diepte en de goddelijkheid van hun menschenstrijd besefte. Bekennen moest ie 't zich zelf dat ie den avond in 't Vondelpark zich verlamd gevoeld had van geluk. En toch was tusschen al z'n verrukking in komen staan die grootere gedachte, dat ie nu toevallig door haar opgewekt iets heel moois te zien, daar nu stónd, terwijl al de ellende om 'm heen van overdag zich tusschen z'n verbeeldingen kwam indringen, heviger, al wat gestriemd en gebroken was door afzwoeging, door tartende smart van kleine wegvretende zorgen, aldoor erger, smartvoller, sarrend onmenschelijk. En daar boven uit was de overtuiging weer gaan grommen, jagen, dat ie zich niet zoo kón geven aan die natuurpracht, omdat zijn bestaan langs zoo heel anderen weg ging dan van Eva, omdat ie overal den strijd, de teisterende ontberingen zag van die groote naar alles hongerende menschenmassa; juist in die pracht erger nog, omdat alles dan wordt uit de ziel gerukt, 't teederste en hevigste, 't smartvolste en vreugdelaaiende, en naast die verrukkingen als 'n narkose over z'n leed heen-brandde of verdofte, opzweepte of erger verdroefde z'n ziel; of 'n goddelijke rust op 'm stortte die evenwicht bracht in z'n storm-gevoel, klaarder 'm de hoogheid van dien massastrijd deed zien. O! die avond, — wat had ie dien maantuin mooi gevonden, goddelijk, goddelijk, maar zéggen kon ie'r niets van. Al wat ie gezien had in lichteffekten was in z'n verbeelding blijven drijven als iets onzet-tends, iets dieps, vastgehaakt aan 'n geluk, met Eva naast zich, zooals ie nooit nog gevoeld had. — Of alleen dan, als ie de vol-grootsche levensgroepen van 'n arbeidersmassa voor zich zag duizelen, samengepakt, ademend als uit één lichaam, voelend als