io9
ging. Nee, zelfs zou ie strijd uitlokken om ze misschien zelf, of andere öm hen, te overtuigen van hun dwaling. Want persoonsstrijd zelf was 'm 'n walg. Hij wou alleen arbeiders bij elkaar zien, werkers, zwoegers, buiten en op de fabrieken, van welken kant ook, die gingen inzien wat hevige macht ze vereenigd konden worden. De vereenigingsidee moest en zou in hun koppen gehamerd worden; dat was geen zielsdwang, geen ingrijpen in anderer persoonlijk willen; dat was opheffing van levensbewustzijn, verhooging van zin voor 't gemeenschappelijk bestaan in alle nu door onrecht en lage menschverkrachting vernielde, verhongerde of doodzwoegende arbeidersgroepen. En 't hardst werkte ie nu mee aan de organizeering en uitbreiding van vakbeweging onder de diamantwerkers. Ze hadden, misschien wel door de groote krizis en verslappende werkloosheid, prikkeling er in gebracht, en nou ging 't aansluiten sneller, al zag ie zelf in dat de grond daartoe dikwijls eigenbelang was, niet 'n doorvoelen en doorleven van 't heilige beginsel der solidariteit. Angst hield ie in zich-zelf besloten, als ie er aan dacht dat de meeste aangeslotenen, zoodra 't vak weer wat beter werd, zich om de solidaire idee niet meer zouden bekommeren. Dan na weken kwam de werkelijkheid 'm gelijk geven, was plots het ledenaantal vreeselijk verminderd. Bij 't kleinste vleugje in 't vak verwierpen en vergooiden ze weer wat ze pas toegejuicht hadden. Hij bestudeerde nu de verhoudingen van 't vak in al z'n vertakkingen, ging na, met 'n groep even geestdriftige jonge kameraden als hij, wat er tegen die verschrikkelijke loondalingen, na elke nieuwe faze van werkloosheid, te doen was, stelde oorzaken vast, berekende tarieven, en zag in dat alles, loondaling, verkrachting van arbeidsrecht, verlenging van arbeidsdag, bedreigingen en laaghartig gedwongen winkelnering tusschen patroons, bazen met hun afzettend bazengeld, alleen konden worden teruggedrongen, als al de diamantwerkers zich vereenigden, zij dejuweliersnormale en menschelijke voorwaarden konden stellen en deze niet hèn langer mochten bedillen. Dan kon 't algemeen geweeklaag en gejammer in juichingen keeren, daarzonder nooit. En zoo sprak ie op fabriek, op straat, soms met weinig, soms met eenig succes, want alles stuitte af op domheid, lauwheid en onderkruiperij, verdachtmaking, gescheld en vervloeking, anarchistisch gebrul, revolutionnair gekraai, en overal werden hun pogingen tot uitbreiding van hun organizatie genoemd: 'n socialistische propaganda, die de werkers niet wouên, voor niets ter wereld. Toch werd ie niet moedeloos, en gaf zich dan weer in stilte aan studie, al verbaasde ie zich eiken dag erger over de verstomping en verdierlijking van 'n troep zwoegers, die hun eigen belangen zelf niet konden verdedigen. Middenin kwam dan weer es 'n week werk. Dan vloekte ie op z'n langen vermoeien-den, afbeulenden arbeidsdag. Soms vond ie 't goddelijk zoo luchtigjes er even aan te denken, hoe heerlijk 't zijn zou als ie nou maar eens op de fabriek hoefde te zijn van zeven tot twee, en zich daarna mocht onderleggen, mocht opslurpen al die werkstof met z'n II. 21