io7
— Eva,... juffrouw ?
— Zeker, dat is veel minder stijf... en we zijn van avond beste vriende geworde, niet waar?
— God juffrouw, wat heerlik!... en noemt ü me dan Hein ?
— Zeker wel!.,. nacht Hein,... goeie nacht hoor... tot héél gauw hè?
— Goeje nacht juffrouw...
En snel vloog Eva den hoek om. Hein was blijven staan in stomme alleenheid. Hij voelde weer alles tegelijk in zich lachen en huilen, lachen omdat ze hèm zoo maar Hein had genoemd en huilen omdat ie daar weer alleen stond, zij weggezweefd naar dat groote, kille huis, waar alles zoo eng voor hèm was, hij hier moest blijven alleen, star alleen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Dag en avond had Hein bezet. Weer was er door z'n baas gezegd dat er niets was. Iedereen sprak in 't vak van verschrikkelijk bange krizissen die op handen waren. Overal was de werkloosheid groot, armoe en ellende teisterden heele groepen, wanhopend, tartend. Toch liet Hein den moed niet zakken. Hij hielp mee aan ondersteuningskommissies, die geld inzamelden voor de werkloozen. Z'n drukke winterdagen waren volgepropt met werkzaamheden, vergaderingen van nieuwe organizatieplannen, 't uitgeven van 'n weekblad, 't stichten van 'n bond. Met'n, alle verdriet en armoe neersmakkend gevoel van verrukkelijk zich geven aan arbeid die herleving moest brengen in 'n massa waarin hij zelf meeleefde, vatte ie z'n taak op, liep, schreef, sprak, vocht tegen lauwheid, porde en stootte op met 'n heerlijken gloed in z'n lijf, 'n warm brandend willen, ging met z'n rug tegen de walgelijke knevelarijen in van juweliers en eigenwerkmakers. En had ie op den dag rust, dan ging ie zitten op z'n minder koud kamertje al, waar ie nu strenger z'n moeder buiten hield, al was ie werkloos; verslond ie alles over 't socialisme, met verre wandelingen tusschen z'n lezen in, om gang en beweging in z'n lijf te houên, en om 't pijnigend-korzelig gekriebel van half hongerlijên niet zoo erg te voelen.
Met veel meer lust dan vroeger, bewoog ie zich nu tusschen alle soort menschen, die ie vroeger om allerlei bedenkingen nooit aangesproken had. Met z'n aansluiten bij de socialistische partij stond voorgoed z'n afscheiding van 't anarchisme vast. Maar nu voelde ie dieperen drang in zich om de abstrakte vrijheidsidee in 't anarchisme, die ie zelf zoo vurig doorleefd had, te bekampen, waardig en oprecht; dieper in te gaan op 't socialisme aan alle kanten. Hij zou nu weer luisteren en werken en overal propageeren, in kleinen kring