i°5
O! wat zou z'm willen omstrooien met allemaal lieve, innige zeg-seltjes en heusch wou z'm nu vragen of_zij 'n beetje voor 'm zorgen mocht, voor z'n kleeren, z'n boeken. ׳Want nooit zoo sterk als vanavond had ze in 'm gevoeld die opene, dichterlijke meerderheid, die roerlooze bewondering, dat onbewust heelemaal weggaan in 'n ding, zooals 't alleen argeloos-groote naturen doen. En nü voelde ze die hooge kracht van z'n wil naar recht, dat fel-geweldige rechtsgevoel dat 'm ook van avond beet nam, zooals ze gezien had op z'n gezicht, uit 'n droevig iets dat niet uit z'n trekken wou, 'n vreese-lijken weemoed die ergens iets zocht tusschen de ontsteltenis van de pracht door. O! ze voelde nu, in 't begin al, dat ie ver boven haar stond, dat hij 'n dichter was, maar heelemaal onbewust, oer-krachtig, nog in z'n jeugdsmarten dobberend. Al was zij meer verfijnd, al wist ze meer, zooveel dieper, oerkrachtiger voelde ze hèm, en zag ze elke aandoening in 'm slaan met 'n kracht die 'm uiterlijk al teisterde. Z'n onbestemdheid juist was voor haar 'n uiting van z'n schuimende passies, die naar 't diepst van 't leven zochten, met spontane schuwing van uiterlijk vertoon, zonder dat ie dien zielsgang zichzelf bewust was^TO! wat zou ie van haar kunst gaan genieten, van haar Rembrandt en van de moderne grooten. Of zou dat maatschappij-hatende van z'n ziel die voeling in 'm smoren ? Had ie haar nog onlangs niet gezegd, dat ie van mannen als Napoleon niet hield en dat z'n liefde voor heldendaden altijd veel heviger was beroerd door Huss, door z'n grootheid van ziel, waarvan één daad stond boven 'n wereldoverwinnen van duizend veldslagen? Had ie 't niet roerend-klaar gezegd, hoe ie eerst later zelf z'n heldgevoel was gaan splitsen en zuivere scheiding zag tusschen machtsheld en zielsheld, en daaronder nog alleen één die leefde voor anderen, heelemaal; dat ie niets gaf om persoonsdeugd, als ze niet direkt uiting was van hoogste gevoel voor verdrukten; geen zelfreiniging alleen, geen bangelijk pogen allereerst jezelf smetteloos te maken, in 'n maatschappij waar alles nog zóó ongelukkig was? En nu dacht ze na, woorden die ie gezegd had met eenvoud, waar zij nooit zoo op gekomen was, waarvan ze nu inzag hoe sterk en diep ze waren. Ze begreep dat ie voor haar nog lang niet zou zijn zooals ie was, want nooit anders dan stil of hevig ernstig had z'm gezien, en toch voelde-ze dat er iets zoo jongs, iets kind-stoeiends, iets verrukkelijk dartels in 'm leefde, maar dat ie zich eerst zou geven als ie haar heelemaal vertrouwde. Dan zou z'n luim losbreken, zoo goed als nu z'n ernst; dan zou ze alles uit die rijke ziel loskrijgen, alles, gaaf, en 'm te hulp komen in z'n smachten naar voelen, begrijpen, zien, om 'm te laten groeien voluit, voor de vertrapte menschheid die ie zoo snakkend lief had. O! ze voelde 't nu stil voor zich, dat er in dien ruwen, beschroomden, armen jongen een brand van goddelijk verlangen laaide, dat, als ie tot rust kwam, hij zich-zelf vasthouên zou, dat 'r 'n hervormer in 'm zat, maar een van maatschappelijk en van innerlijk leven, toch reëel in z'n