104
dook op z'n lichaam uit wit-broze bloem-groeiselen van koninklijken troon, met halfweggeschaduwde muzenfiguren in lageren schemertoon aan z'n voeten verzinkend. Rustig in pracht glansde z'n gelaat, als in verrukking glimlachend om natuurfeeërie rondom z'n voetstuk geweven; hij, gekroond, boven den afgeschutten kring van verparelde dennen, als reuzekaarsen lichtend in 't blauw-blank, lachend z'n lach van godlijke devotie, neerziend van z'n heuvelige hoogte, die te dampen stond in teederste maanzilver, op heel 't wonderleven van droomtuin.
Eva en Hein stonden laag verscholen, opstarend naar den dichter in roerlooze aandacht.
Toen zacht terugdwaalden ze tot bij den uitgang, waar in nog dampiger glansgeheim, de blanke hoofdlaan openlei, en kraak-stap-zacht ging 't weer door de stilte, die nu huiverend neerspreiën kwam uit den nacht.
Bij 't hek liet Hein Eva's arm los. Zij had haar voile weer neergetrokken en liep nu sneller; 't was al bij half twaalf, en haastiger stapte Hein mee. Vreemd-verbaasd voelden ze nu eerst de snerp-kou in 't gezicht prikken; 't eerste woord klonk weer tusschen hun óp.
— Meneer Hols, u kunt me hier best alleen late,... ik pak nog gauw eventjes de trem, die brengt me bijna voor ons huis.
Dat voorstel vond Hein naar, verkoelend na zoo'n innige wandeling. In z'n zwijgen was z'n schuchterheid 'n beetje weggezakt; hij zou nou es direkt tegenstribbelen en ronduit haar zeggen dat ie 'r veel liever naar huis bracht, zoo stilletjes heerlijk de grachten af. Hij wist zelf niet hoe 't zoo rustig ineens in 'm zat, maar hij voelde zich veel intiemer met Eva, alsof ie 'r al jaren kende en ze heel goede vrienden waren.
— Och juffrouw, late we nu maar eve naar huis loope he ?.. ziet u, ik breng u ook zoo graag, als 't u niet hindert.
— Hindert?... hoe komt u er bij? — viel Eva haastig in, — maar als u maar niet te moe bent... u bent toch al heel vroeg aan 't werk geweest, nietwaar?... en ik ben juist heel laat opgestaan ... heusch...
— O nee juffrouw, dat treft... ik ben al 'n week zonder werk, ziet u... ik mag luiere, gelukkig, — ironizeerde Hein.
— Heelemaal zonder werk?... O ja, 't is waar, pa had niets meer voor uw baas.
Zoo liepen ze stil in gedachten weer voort; Hein dol-gelukkig dat ie 'r tot 't laatste oogenblikje bij zich had, en Eva verdiept in zorgelijk gedenk aan Heins toestand. Ze had 'm heel graag gezegd hoe diep gelukkig ze zich vanavond naast 'm voelde, hoe heerlijk ze zijn zoo heelemaal meeleven met wat z ij mooi had gevonden, zag. Ze had 'm in 'n drang van groote teederheid wel willen omhelzen, dien langen jongen met z'n kind-ziel, z'n argeloos kijken en z'n stoere, strakke kracht. Maar ze durfde niet.