03
goocheld paadje erheen verzwom 't tentbruggetje, dat in al ijlere verbrozing 't vonkelende rijp lei als 'n wegje van hevig dauwlicht vol bleeken glans, waar 't klimop, met sneeuwschuim bestoven, en vreemd-harige wilgen, witte treurrozen langs hadden geslingerd, kristallijn van vriesbloemen in wilde pracht. En zacht tegen de koepeltoovering, rond de mijmering van vijvertje, glansden aan, kleine, verkromde, half-dichtgegroeide doorzichtjes op andere lanen, wit, oneindig vonkend wit, smalle verschietjes overal, volgewaasd, verstikkend in maandamp. Binnen dien wijên stammenkring bleven Eva en Hein verstomd van die andere, nieuwe goocheling weer. Voor hun voeten trilden wazen, en zoo stil-star stonden ze tegen elkaar aangedrukt van verbazing, dat 't ze was als zou elk gebaar, elke kraakstap die lichtende feeërie, die kristalliseering van maan-droom doen ineenstorten tot zwart-uitgeduisterd boombosch en hagen-gedonker.
Toen ze als in verdooving voortgeschuifeld waren eindelijk, zagen ze, rechts achter 't waaszilver, huislichtjes van Vondelstraat, 'n spat-terig zig-zaggend gepink van roodgelige vlammetjes.
Al verbaasder hadden ze rondgekeken, als kinderen verdwaald in sprookjesland. Dichter raakten zich hun lichamen en stiller spraken ze elkaar aan in hun zwijgen. Hein was weg in zachte koorts van bedwelming, in stille uitvloeiing van z'n diepste begeeren. Harder kraakten hun stappen nu voort tusschen kleine laantjes die terug-slingerden, dwalend weer in 't wild langs klimophagen, verdonkerd, waar 't rijp afgesmolten was op den dag, alleen in dauwbeschitte-ring nog van randen omzoomd, als zacht vuur dat fijn langs blad-omtrekjes gloeide.
Toen plots stonden ze weer voor 'n vijver achter diepe laantjes-verschemering, waar 'n lijn ijzerdraad, laag bij den grond, beglin-sterd, tusschen duistere gazon-haagjes glans-kronkelde. Ook daar lag de vijver in maanwaas-blauwig zilver met brand midden in, maar dieper verborgen achter verduisterde takhoekjes. jKoel-fier kwamen langs kabbel-zilverend, bleekglanzenden vijverzóöm aandrijven, fier-blank, twee zwanen in magnetischen damp, uit tunnelpoortjes van maankristal bij 't kromslingerend oevertje, dat wierookte dauw-zilverig, brandde en vloeide in lichtstroom nu als heviger feeërie, als sprookje drijvend in atmosfeer van klare bedauwing, ijl verbroosd in al heviger stilte, de zwanen naast elkaar in rust, hoog de halzen, verdropen in zelf-lichtend satijn-blank.
In stemlooze verrukking schuifelden Eva en Hein dichter bij elkaar^.
Nu wou Eva nog even 't Vondel-standbeeld zien, dat daar op z'n eenzame hoogte, met den rug naar hen toe, neerschaduwde. Sneeuw-rijp glansde langs de bevroren koorden, lichtstralend. 't Voetstuk verdampte in eigen steengrauw. Ontzag'lijk, in stil gebaar heerschte Vondel boven den zwijg-zang van 't park uit, en in de plooien van z'n koningsmantel vloeiden maangolfjes licht-kabbelend. Geweldig