02
z'n hoofd toch zoo star-ernstig•, maar z'n gezicht vol innigheidstrekjes, verweekend de woeste wegduiking van z'n oogkassen. Hoog liep ie naast 'r, maar toch in zoo stilzoekende terugdringing van z'n eigen durf, zachtere ontplooiing van geluksrust, en heerlijker vond z't dat ie niet spreken wou zoo in die suizelende godsstilte, elkaar ontmoetend toch in hun diepste gedenk.
En de wondertuin weefde voort boven hun hoofden z'n leven van broze roerloosheid door de maandauwT}
In 'n open ruimte waren ze gedwaald vol maannevel, maar donkerder bij den grond, als toortste langs den bodem 'n bezworen brand, uitgebleekt hemelvuur dat op wou vlammen maar niet kon, en nu fosfor-blauw, zacht donkerde, versmoord, in hooger lichtglans zich uitkookte in violet, giftig verzwavelend rond dieper struik-boschjes. Zacht-verbaasder dwaalden ze verder, tusschen chaos nu van verdonkerde laantjes buiten 't klare licht, waar wegvluchtigend lila rookte, flauw kringend achteraan, opkruipend langs 't verkleurde gras-rijp, dat in duister lag te vonken als verzwakt uitsintelend licht, in al diepere vonkperspektiefjes wegbleekend. En plots weer kwam hooger laanruimte zich om hen verzilveren, en woester één streek lei daar in oceanische bodem-verbijstering; war-groepen in zilveren halmenbrand, angstplanten in kranke gebaren, als kwam uit duizend grotten aanvloeien licht, krioelend, zacht-rosige kriebeling van weeflicht, in ontzetting van al-stil-gefluister en gestaar, met 'n dwarsrij vooruitspringende stammetjes in vreesgebogen gracie, in neergezonken gebaar van roerlooze vroomheid, bevend en luisterend naar ruischlied van heilige stilte. En in grilvormen vergrot'ten dieper boomgroepen in al blanker lichtverijling, als speelde de droomtuin 'n toovering van glanzen rond, als doken weer op, uit al verderen schemerschijn achter plant-angsten, nimfen en sylfen, dichtwevend in eeuwige gedemptheid den wondertuin om hen, als loerden weer lanen en stammen in vonking van oogjes, in gestalten van schaduw׳, etherische tril-zachte vleugelen, ademloos sluiergewuif in verste nevelkringen verwui-vend. — Weer waren ze weggeschuifeld uit 'n donker boschje en weer dwaalde voor hun oogen in 'n ruimte open, vol zilveren, zacht trillenden maandamp, 'n geheimvolle sneeuwnok, waar óm stammen heengecirkeld stonden in wijd-zachten krans van magischen sneeuw-schemer. Voor hen lag muziektent als verbroosd paleisje, met rondom 'n vijvertje waar maanlicht op uitgleed in zilverbrand, in zangerigen gloed, bleeke vuurpijltjes uitschietend in kleine kringboogjes tusschen ijlblauwe schaduw-warring. Omlicht als in 'n droom, broosde 't daar op met z'n fijn beblankt hekwerk, waar langs glansden, schitter-zachte lichtslangetjes, zilverkronkelend verspringend in slin-gerjool van vonken, langs de tengere koepelzuiltjes, als neergebogen hangkettinkjes, verschakeld in diamant-weerlicht, van zuil op zuil, en daar bovenop 't tentdakje, dauw-diep verblauwd, als lag er zil-vervuur geheimvol rond te lekken met blinking tot aan den voet, maanglans-verspelend vijvertje, wazig verzilverd in mist. Als ver-