IOI
ernaast in bidstond gebogen, verernst in aanbidding, onder 't schit-tergewelf van lucht den tempel van maannevel aandrijvend verzaligd uit heiliger glanzingen.
Stiller stonden Eva en Hein, na-voelend eikaars emotie's in zacht gedruk van arm tegen arm.
jj-Iein liet maar weenen in 'm zachte breking van spanning waarin ie dagen geleefd had, om haar te zien, haar gezicht, haar oogen, haar lichaam; liet weenen z'n geluk, nu z'n ziel, in starre bewondering voor alles, ging naast haar, niets zeggend nog, alleen kijkend waar zij keek, loopend waar zij liep, in verlamde verdooving door wond're verbrozingsspel van natuur. En Eva middenin, in rustige, gelukkige meerderheid, verrukt in dat mysterierijk van tinten en half licht; zij, die haar ziel heelemaal kon uitleven tusschen dien zilveren halmenbrand, tusschen dien wonder groei van plant- en stam-geheimenissen. Ze voelde zacht 't gebeef van Heins hand onder haar arm, licht gesidder van verrukking en ontdaanheid; ze onderging wat in 'm woelde tusschen de verdooving. Ze zag dat ie geslagen stond, beneveld, en zij zelf voelde zich in den wonderen tuin rustiger dan hij, in 'n heerlijken zielsvrede, zwevend in de gracie van 't licht, ademend in die verheven luidloosheid, dat roerlooze evenwicht, waarin alles leeft in één hoogsten stilstand, in 'n plots doorgronden en doortrekken van 'n oppept verlangen, enkele minuten zich voelend vlak bij 't hevigste gelukjZe doortastte nu met Hein naast 'r 'n zóó rijke vreugde, als ze nooit gekend had. Altijd had ze gedacht dat ze 't gelukkigst was, wanneer ze alléén 't natuurleven kon zien. Want alles van anderen, hoe goed ook soms, stoorde haar; opmerkinkjes, lichte vraagjes die niet vielen in dien hevigen ziensdrang van haar ziel. En nu voelde ze zich zoo goddelijk gelukkig en rustig, als was ze alleen. Niets zei, niets deed ie wat haar stoorde. Stil en ontdaan als 't wonderpark zelf, bleef Hein in z'n ontroering en eerbied, elke zwenking meemakend van haar voeten, elk stil-blijven-staan-verluisteren, met z'n arm tegen haar borst, in z'n oogen dat bewonderend licht, dat gestaar van 'n onbewust kind dat te luisteren zit naar sprookjes in den schemer. Wat innig vond z'm zoo, wat zacht. O, hoe zou ze zoo altijd naar 'm verlangen! ]TZe voelde dat in haar leven iets geweldigs gebeuren ging, nu ze hém beter had gezien. In heel z'n wezen lag ook nu weer voor haar dat bescheidene, dat angstvallige, iets heerlijk-beschroomds dat 'r verrukte, dat ze nooit nog in 'n man gezien had, dat kind-gelukkige, dat kind-verlegene, iets bloos-bangs, schuchters, zacht-terugwijkends. Ja ze voelde dat in dien man heelemaal 't kind gebleven was; 't kind met z'n ziel van kristal, 't kind met z'n gracie en eenvoud, met dien wilden lach, dien stouten, sterken, zelf handelenden levenslust, ongeschonden gedragen door z'n mangroei, met dat beschroomde, die verrukkelijke verlegenheid die 'm zoo mooi maakte, zoo lief, omdat 't in hém was zoo onbewust, zoo waar. Als ze z'n oogen nu zag, dan was er alles in grijs getintel, zóó blij, en