99
neersproeiend diamantvuurj Vóór hen bleef wazen, waar ze dwaalden, wit-blauwig zilverschemer op den grond, onder 't fijnste ge-ijl van schaduwspel. Stapjes-kraak-zacht gingen ze voort; Hein glibberde soms op glad-bolderigen vriesgrond. Zacht, in gefluister bijna, zei Eva 'm dat ie haar 'n arm zou geven, en Hein, verstomd door toovertuin rondom waarvan ie geen plekje in die stemming herkende, zei niets, lei zacht z'n hand op haar arm. Krakend in zachter stapjes, liepen ze verder, in klaren schijn omkabbeld van witten mijmerglans, rond nauwere paadjes van rijpgrond, de stilte tegemoet, die daalde dieper en huiverender. Hein had steviger haar arm vast, en Eva drukte dichter tegen 'm aan, overal kijkend, nu met 'r voile óp. jjOp haar kleeren golfde 't maanlicht, verdauwde haar gestalte in zwarten mantel, en slank in eigen schoonheid, stond ze zelf te bewonderen met oogen die overal in schitter-stillen eerbied heenstaarden; met gedempt-klaar maanlicht op haar blank gezicht, dat strak verrukkelijk stond in de glanzende beschijning. Hein, die nooit zoo iets gezien had, liep stom versuft kijkend om zich heen, als in 'n droomland verneveld; en naast 'm schuifelde in zacht-stijgende verrukking, 'n jonge vrouw, die 'm leidde, arm in arm, warm-ont-roerend-innig 'm aankijkend, waar hij, sterkere, zich aan vast moest houden om niet neer te duizelen. Rond staarde ie in de wildgrillige pracht en dan weer keek ie lang Eva aan, naast 'm inzweefgang, ingehouên, zelf 'n sprookjesgestalte, spraakloos-mooi, in verbijsterd geluk starend, peinzend, kijk-droomend. Zachter nu ruischte haar japon na in de stilte door 't gekraak van schuchter neergedrukte voetstappen. Hij begreep niet meer wat er met 'm gebeuren ging, niets kon ie afdenken, alles pakte 'm tegelijk, en bij alles werd ie overstroomd, doorweekt van 'n ontzettend verteederingsge-voeO Dan keek ie suf rond soms, stond star waar zij rustte, voelde 'n Elemmenden druk van haar arm op z'n hand, en gaf terug als 'n lichte siddering van z'n hand die inlevingsintiemheid. Weer bleven ze even staan op 'n bruggetje met klimopleuningen door glans bestoven in 'n verdonkerden hoek, met wild krinkelgetak van uitspringende heesters, die instonden, lager, tusschen stamverduistering en takschaduwing, verdiept omschommeld in verbleekt maanblauw, in melancholieke schijnsels als uit 't droomrijk gestooten. Aan 't eind, bij 'n krinkelpaadje, boomde 'n grillige, ontzaglijk uitgegroeide eik, met breeën kring van neergewrongen takken, in wild-verstuipte kramp-kronkels wijd rondom donkerenden reuzestam, in witte pracht ópparelend boven alles uit, in al hooger en al heviger takkenkramp, met licht dat er onder, er naast en er om weefde, zacht geheimvol. Soms ging 'r 'n witte glanssiddering door de takken, als vloeide en smolt de parelglans, verdampend in elektrisch gewolk. Nauwer zilverden nu voor hen kleinere paadjes in tooverschemer, met aan den ingang lichtende poorten van vonkboogjes, kwijn-illuminatie van groen en rood gester, grilvormig afdruipend sneeuwpiekende kegeltjes en straalfonksels, als kristallige ijsgrotjes verdiepend, met week