Levensgang, tweede deel

Titel
Levensgang, tweede deel

Jaar
1905

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
198



98

nu maanglans op kaatste, flakkerend-blauw-dampig tegen de donkere, kleine, zwart-vertraliede ruitjes in 't hoogere huizengeromp. — Overal draaide Eva zich heen, genietend van dien rustadem, onder dat stil-goochelende van den blanken maandamp. In verstomming liepen ze de hooge hekpoort door, waar nu breed voor hen heenzilverde de hoofdlaan, in lichtende verblauwing van vochtige schemer-ver-schietjes, waar maanlicht ronddoolde in weeke, zachtdampige azuren en magnetische kringetjes, toover-ijl.

[Roerloos-broos van pracht viel voor hen open de wondertuin in onderzeesche schemering, als vreemd oceanische bodem-zaal van star-versteend plant-gepluim, wild-bestoven en verijld labyrinth van blank licht en vermijmerde donkering, drijvend in één ontzettingsstilte van doodsch-geheimen blanken schemerschijn, overal uitvloeiend in oneindige, zilverblauwe diepte, tusschen lage booinpoorten opdampend als verlichte maan-ether, wazend en wevend sprookjesgestalten, met dauwglans besproeide lichtstoeten door de neveling. En alles in één ontzettende, verstommende weemoeds-rust, stil, als groeiden daar wonderen van roerlooze levensschoonheid. Rondom, wijêr, dreef zachte fonkelingsstilte, wijd-uit in ontzetting, kruipend langs berijpte heesters en boomen, ze vervormend in maanschemer tot nevelende stoeten, sprookjeswezens, die van alle kanten keken uit wit gesidder en gevonk van rijpoogjes. In geheimdiepe wazing stonden, hoog-op onder de broze lichtweving, in roerlooze heffing boomgestalten en tusschen hun tak-hang in, al lichtender glans, al wuivender licht, als sylfengesluier in bovenaardsch spel, sliertend gewuif, sluiers van lichtenden dauw, neervonkend parelenden glansregen in zacht-echolooze slagen, wilder neer- en opwuivend in de verte, waar de schemering als in verdonkerden smaragdgloed wegzweefde onder snelleren, korteren hoorloozen sluier-slag door 't blank, dichter neervonkend sproeiglans rond wondertuin. En vlak voor hun oogen vloeiden waziger zilvertinten, gebroken in stervende glanzen, verdempter, stil-teederdèr licht, verzinkend achter kleinere laantjes rondom, in zilveren nisverschietjes, omwasemd van verbleekten maandamp vol weifel-magische schijnselgloedjes. In donkerder kringdampen waasde öp zachte slingering van takbogen en schaduwrimpels, ijl-fijn, uitgekarteld rag. En vlak voor hen stonden plots twee treurwilgen, met blauw-witte sleepharen hangend in diadeemschittering, als vonkte langs ieder haar paarlen-gedrang, van boven glanzend met zacht-donzige kleur-spatjes, in smeekkronkels er doorheen aderend donkere taknerven, de half berijpte boomen staand in blauwige verbrozing van hun eigen schuwe stamschaduws, met de blauwe kroonfon-kels neer.

In verstomming stonden ze naast elkaar. Geen geluid durfden ze geven in die roerlooze, witte stilte; bang in de broze maanwe-ving iets te storen als 'n stem daar klinken zou; bang dat ópflad-derden sprookjesstoeten, die in vonkende pracht stonden te wuiven in 't stille licht hun sluiers van maanpaarlen, in hun hoorloozen stoeislag

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.