97
uitstaan met die donkere voile... hij wou zien in die dwalende kijk-oogen, die diepe gloeiing, en 't gezichtje wou ie bloot, die fijne, zacht-gebogen neus, en die toover-lieven lach-trek om haar mond, en dat fijne intieme gefrons van 'r wenkbrauwen, dat 'r nog mooier maakte, — zien moest ie 't, zién zooals 't was.
De speld wou niet; weer zocht ze, aan den rand van haar lijfje -nu, loslatend haar jaquet, 'n andere, langere. [Ze had'm eindelijk en onder 't dichttrekken van z'n kraag keek z'm aan, pal in z'n grijze licht-oogen die vroolijk weerlichtten van verlangen, en z'n mond zag ze vertrekken van ingehouên hartstocht. Ze voelde dat er iets in 'm omging, uit z'n star-verbijsterd strakstaan en z'n willen zien achter haar voile.j— Eindelijk zat ie vast, de kraag. Al eerder had ie 'r kunnen helpen, maar veel te innig vond ie dat warm-zachte gerommel aan z'n hals, haar moederlijk dichter en warmer sluiten en aantrekken van z'n kraag, al zaliger en verrukter haar voor zich te zien. Omdat ie iets langer was dan zij, moest Eva zich soms rekken 'n beetje, en elke aanraking, elk ongewild schokje van haar handen tegen z'n borst, of haar knieën tegen z'n jas, voelde ie heerlijker, inniger. Toen ze klaar was en haar mof terug vroeg, bedankte ie 'r niet eens. Nu en dan onder 't loopen, keek Eva naar z'n hals of de kraag zitten bleef, vergenoegd gezellig dat zij 'm ingebakerd had. — Sneller liepen ze de Marnixkade af zonder 'n woord te spreken, beiden weg in eigen gedenk aan 't geluk van eikaars bijzijn. Voort ging ze weer in haar zweefgang, in kleine tredjes tegen zijn wijêr, onrustiger beenpassen, soms 'm wijzend met verrassende, kleine gebaartjes van haar mof of hand, en los-levendige uitroepjes naar mooie punten, waar de maan in blankst-blauw-ijl tusschen rijpglans viel.
|Bij den ingang van ,t Vondelpark bleven ze staan. Heel rt ijzeren hekwerk lag als ragfijn schaduwweefsel op 't wit-blauwe plein neer-geschemerd, rond maanblank geglans van rijpgrond, die zacht fosforisch vonkte in sneeuwdauwige reinheid, breed voor hun voeten. In teêr gekrul dwaalden de lijntjes uit hun donker hekornament weg naar den al zachteren vonk-grond, broos omtrekkend en rag-slank zoekend hun plaats in 't zilveren vloedlicht, dat elke wending van ijl-blauwend geschaduw omzoomde in parelgloed, als óvergesmeed op den rijpgrond met kleurig dauw-vuur. 't Parkhek stond broos-verkleumd, als vermagerd door schaduw werping, met rijpglans en beschitterde lantaarns, in 't vervonkte krulwerk en verteederd blank-beschuimd ornamentspel. En hoog schemerde in Boedda-heilige rust, van boven zacht omkabbeld van maanlichtgolfjes, 't vrouw-beeld op 't middenhek, verdonkerd in heilige knie-rust. Sneeuwstilte suizelde gedempt over 't plein, en van verre klonk zilveren gerinkel van tramschellen nu en dan, als wegluiênde belle-neuriïng van winter-heimweeën arre-zang7| De Stadhouderskade lag breed uit in z'n bezilverd lichtwater en elektrischen schemer, met z'n somberen gevangenis-ringmuur, vreemd-middeleeuwsch als ruïne-burcht, waar