ARON LAGUNA
A r o n (.zeer heftig).
Vader... vader... dat kdn ik van ü niet hooren: héél mooi... héél mooi!... Het is zoo oneindig, oneindig veel méér!
B a r u c h {gebluft).
God jonge... God jonge.,. zóó heb ik je nog nóóit gehoord!
A r o n (weer kalm).
Vader, ik heb ook altijd vermeden, met u over iéts te spreken. — Ik wil mijn leven-zélf één daad doen zijn ... ik kan ... kdn met u ... geen redeneeringen houden!
Baruch. En... heb je al bewezen ?
A r o n.
Iéts vader... iéts toch ?... (dof) Na... m'n ellende... ben ik toch voor mijn werk dezélfde gebleven!
Baruch (plotseling heftig).
Maar is 't dan wdir, dat je met dié kerel op één vergadering spreekt ?
A r o n.
Mét hem spreek 'k héél zelden — bovendien... hij is een uitmuntend strijder.
Baruch (ontdaan). Ddt gaat... te vér... Aroon !