ARON LAQUNA 173
Baruch. Maar jonge... gezegende jonge...
Aron (bezield). Ik wil... ik moet en volbreng!
Baruch. Maar alléén bin je... dóódalleen ...
Aron (mijmerend).
Alleen?
Baruch.
Jd alléén ... terwijl jij... jijzélf leeft voor dllen... bin jij... jijzélf, doodeenzaam... in je verdriet...
Aron.
O, vader... er is zooveel ijdels en zooveel laffe zelfzucht in persoonlijk verdriet.
Baruch (hem bestarend).
In jouw hart brandt een vreemd licht!
Aron.
Voor ü ... nü !
Baruch.
Maar een vogel die buiten z'n nest zwerft jonge, is prooi...
Aron.
Nee vader!... Dat wordt je, als je iets terüg-verlangt... als je je liefde belóónd wil zien.
Baruch. Héél mooi... warachtig... héél mooi!