ARON LAQUNA 171
Aron.
Maar noü niet meer... Nee, u künt zoo iets niet meevoelen vader — wat het zeggen wil: hun vreugde, hun verachting en hün haat te doorleven, als de diepste dingen van je eigen ziel.
B a r u c h.
Kan ik dat niet?
Aron.
Als de diepste ontroeringen van je hééle wezen. B a r u c h.
Maar... maar... één uur van dit verdriet... vergalt 'n héél leven van geluk!...
Aron.
Smarten en rampen van jezélf... (inzinkend-droef plots), ik weet ervan méé te spreken!... ze zijn verschrikkelijk!...
B aru c h.
Zié je nou wel jonge ?... Je draagt je laste te vér buite de poort I
Aron (zich gevend). Vader... vader... de angst... de pijn die ik doorleefd heb...
B a r u c h (diep-ge troffen). Eindelijk... eindelijk spreek je... hóór ik je!
Aron (zich stug herstellend). Nee-nee!... nee-néé!... dat is alléén mijn vader-instinct... mijn man-instinct!