170
A ro n.
Dit is juist het ontzettende vader... het noodlottige ... de tartende marteling tusschen ons, die ons altijd van elkaar zal houden... terwijl ii juist snakt naar een oplossing in elkaar! — U bent vroom, uit uw hart — het is uw innigste overtuiging — u zoudt zonder uw geloofsgeluk niet kunnen leven. — Begrijp nou eens goéd vader — zóó bent ü — maar precies zóó ben ik — alleen is m'n heele gevoel en m'n heel innerlijk denken op iets inders overgegaan. — Zoo min als u ooit afstand zou kunnen doen van uw Thora en Gemara... zoo min zou ik ooit afstand kunnen doen van mijn geloof in een nieuwe menschheid.
B a r u c h (hoofdschuddend, probeert te glimlachen).
Dat begrijp ik allemaal wel 'n beetje jonge ... ik heb je moed om jezélf te zijn toegejuicht... diep uit mijn hart... En toch... tóch hou ik vól: persóónlijke rampen zijn alleen persóó.nlijk te voelen. Het innerlijke van iéder mensch heeft z'n eigen gebied... Daar kan niémand... niémand anders indringen. — Ddar leven we allemaal dood ... dóódeenzaam.
A r o n (vurig). Nee-nee vader... néé... zoo heb ik vroeger óók gedacht!
B a r u c h (innerlijk-ontsteld). Hoé dan jonge? '