168 ARON LAGUNA
A r o n.
Nee, absoluut niét. — Maar... bij daar... Lea ndést 'm ... Baruchje er vlak bij!... (zacht kermend). Néé... ddt kén 'k niet zien!
B a r u c h (droevig). Dan is je pantser niet zóó dik als ik dacht, Aroon. A r o n.
Dat zei ik u zélf.
B a r u c h.
Maar... maar... als je het diérbaarste kwijt raakt, dan nóg... dan nóg moet je je aan de levenslust vastklémmen!
A r o n.
Ik ben niet droefgeestig vader.
B a r u c h.
Maar als je dan toch zooveel verdriet hebt... ik bedoel jijzélf... zie je... jijzélf... hoe kan je dan nog plezier hebbe in werk voor anderen ?
A r o n (staat op).
Vader. — Voor het eerst van al de jaren, dat ik van u gescheiden ben... voor het éérst vader... zal ik u iets moéten zeggen van mijn levensbeschouwing, die mij heiliger is geworden, dan élles wat ik bezét en bezit op de wereld.
B a r u c h.
Goed jonge... ik zal probeeren te begrijpen.