ARON LAQUNA 163
A r o n.
Er gebeuren sóras nog wonderen vader.
B a r u c h (verbaasd).
Zeg jfj dat ?... jij ?... Morê-ha-nebochiem!... Jullie bint zukke groote verschillen. — Jij kent de opoffering...
Aron.
Hij zal ze lééren kennen.
Baruch (heftig).
Ja, maar bij jou bréndt 't van binnen! — Jij wil nooit iets laten merken van je eigen leed en verdriet!... Jij houdt van den storm... maar niet van het praten over de bui.
Aron. Niet altijd kricht vader.
Baruch. Maar toch óók geen zwakte.
Aron.
Ik wil niet laf zijn.
Baruch.
Nee jonge, je wilt niet jdmmeren — je wilt doén... déden doen en laten zien !
Aron.
Juist vader... ik haat zelfbeklag!