164 ARON LAGUNA
Baruch.
Maar je bent toch 'n ménsch — en 'n mensch blijft toch maar 'n mensch in al zijn jammerlijke zwakheid tusschen de onrust van de waereld ?
A r o n.
Natuurlijk.
Baruch.
En ik wil zoo graag... zoo graag... zie je jonge... (met diep-bezielde aanzwelling). Mijn godsdienst, mijn geloof in God... dét is mijn troost... in God, die almachtig is en oneindig...
A r o n. Vader... begin zóó niet!
Baruch.
Waarom niet kind ? — Mag ik niet zeggen wat 'k voel ?
A ro n.
Zeker vader — ik ben heel blij voor u dat u zoo gelooven kunt — maar als ü over die dingen gaat spreken, moet ik er dan over zwijgen ? Baruch.
Ah geen gedachte!... Ik dank de goeie God dat je spreken wil. — Amin-wie-amin!... Al ben je van mij... van jezelf ben je nog méér... dat heb ik nog nooit vergeten Aroon!
Aron.
En tóch ... zullen we elkaar niét verstaan vader. Baruch.
Is balsem dan geen balsem voor iédere wond?