124 ARON LAGUNA
J a c q u e s.
Tóch moet ik 't zeggen: 't lijkt zoo'n vunze, laffe streek van me — de streek van een gore kwibus — niet zélf een eind te maken aan 't gekwel van zoo'n meid. — Welke kerel doet zulke zaken niet zélf af?
A r o n.
Als je dat zóó inziet — waarom ben ik dan noodig?
J a c q u e s.
Omdat ik niets, niéts tegen haar uitricht! — Ze spuwt op mijn verandering — ze hakt en stoot naar me — ze bijt met een woedenden bek vol gif!
A r o n.
Moet ik — een vreemde — daartusschen in? J a c q u e s.
Ja Aron, zéker — jij hebt dat strenge, dat stérke en overheerschende in je. — Als ze je ziet, schrikt ze al.
Aron (zuur-lachend). Een mooi compliment!
J a c q u e s.
Maak nou geen malligheid — je wéét hoe ik 't bedoel. — Jij hebt me altijd uit de misère geholpen — en nou... nou je weet dat ik weer öpleef en lust heb in m'n werk — wil je me los laten ? — Eerst gaf ik om niks — toen heb jtj me afgeranseld, geprikkeld — 't liet me koud!