ARON LAQUNA 125
— Toen hebben papa en mama me onder handen genomen... 't liet me allemaal steenkoud — maar nou... nou Roset er is en van me houdt zooals nooit iémand van me gehouên heeft...
A r o n.
Stil maar — éls ik het doe — is 't voor vader.
J a c q u e s {grijpt Aron's hand). Ddnk je Aron. — Jij bent zoo enorm sterk — ik bewónder je kracht, je zélf beheersching. — Jij hebt toch óók veel van ... Lea ...
Aron (onderbreekt hem streng). Zwijg Jacques!... ik vréég je niets!
J a c q u e s (stil). Goed. — Dus je gaat?
Aron.
Stellig. — Morgen.
Er klinkt rumoer en gezang op straat. Van verre de Internationale.
Jacques. Wat 'n drukte buiten.
Aron (voor zichzelf).
Zóó moét 't.
Jacques (op Aron toespringend; opgewonden).
Nou, ik gé maar. — Ik voél 't kerel... jij maakt me lós van die meid — jij... jij.., je zult 't zien!
Aron (geheel verzonken in gedachten). Wat?... wat zeg je?