123
Jacques.
Je hebt gelijk. — Het léven moet éérst bewijzen dat ik veranderd ben ...
A r o n.
Och,... al die persóónlijke dingen!
Jacques.
Dat is écht iets van jou... ״persoonlijke dingen"!
— Moeten we vader dan het ééne verdriet op 't andere gooien? (verandert van toon). Hij is nou al heelemaal óp van het gebeurde met joü.
A r o n (mijmerend). Grijpt het hem dan zóó aan?
Jacques.
O, hij doet geen oog dicht. — Moeder vertelt me: van de vijf woorden zijn er vier over jou.
— Mijn geluk met Roset... het laat 'm koud. — Judith met Raph... hij blijft er onverschillig voor. — En toch... tóch wil hij jou niet laten zien dat ie verdriet heeft!
Aron.
Goeie vader!
Jacques.
O, jullie zijn wél één! — Jij verbergt je binnenste voor hém... en hij zijn binnenste voor joü.
Aron (norsch). Ik... eh... hou niet van dat... gepluk in eigen gevoel.