ARON LAQUNA 121
J a c q u e s (verward). Houën ?... Ja — och ... kijk es, eh — ik geloof dat de jaloesie werkt. — Ze heeft me met Roset gezien — en ik zag inéén dat z'r mooi vond. — Nou is ze niet te houên. — Al vier maanden heeft ze me opgewacht en gedreigd.
Aron.
Gedreigd ?
J a c q u e s.
Jé, dat ze hier de heele boel op stelten zou zetten.
Aron.
Maar wat kan ik daar nou tegen doen? — Veel aanleg voor praktizijn heb ik niet.
J a c q u e s (hartstochtelijk). Aron... het is de léitste maal dat ik je sméék me te helpen 1 — Toe... toé kerelI — Als die vrouw hiér komt is alles uit... totaal dlles! — Als Roset hoort van mijn zwabberleven — hoe ik in de modder gezwijnd heb ...
Aron.
Dat zal die vrouw toch niet uitschreeuwen? J a c q u e s.
O, dan kén je Colly niet — ze geniét als ze anderen kan kwellen ... Ze is 'n beest, een vree-selijke vrouw!
Aron (droevig lachend). En moet ik dat klein-krijgen ? — Ben ik zoo'n vrouwentemmer?