77
De weesjongen besefte diep hoezeer hij het burgerjog overblufte met de verhaalde schelmstreken en in een onberedeneerde opwelling vertrouwde hij het neefje kl de geheimen van het ״Huis" toe. Zijn ratel draaide slag op slag en hij zwamde en snoefde van de zwerf- en dooltochten der stouthartige knapen, al stonden ze ook op het punt ontslagen en het weesgebouw uitgetrapt te worden. Hij vertelde met zooveel room dat Dirkje al eerbiediger naar guitig-brutalen Willem opkeek, die ieder woord uitsprak en daarna fijnstootte met zijn knauwenden toon.
— Noü ... watte? ... fijn maffe ... op ... een ... bank ... fijn!
Met overgroote, bijna angstige oogen luisterde Dirkje naar Willem's scherp-gekruid verhaal van het nachtelijk insluipen en slapen in een pakhuis, midden tusschen gedroogde vruchten en suiker. Ze konden gluren en gluipen zoolang ze wilden en op „hardstikke dag" kon je amper gezien worden, laat staan in het avonddonker. Gesnapt wierd je nooit en als eén later niet naar „vader" terugdurfde...
— Welnou? ... watte? ... gong je ommers ... fijn be-dele of gannefe!
Zijn schelmsche boevenkopje glunderde onder het fijnstampen van den zin en Dirk bekeek hem als een dierentuin-oppasser een gevaarlijk of valsch beest in een kooi.
Toen gaf Willem, genietend van Dirkje's ontdaanheid, een woeste en ijzingwekkende teekening van den aanvoerder en belhamel der hoogste klasse uit het „Huis". Die kerel vernielde nou precies alles wat in zijn knuisten viel! Zijn kamertje heette de wolvenkooi!... en hij was zoo sterk... zoo stérk!
— As Bliksemstraal,... viel Dirkje rillend-blij in.
— Wie? ... watte? ... stootte Willempje minachtend af.
— Is... is... d'r Opperhoof fan de Indiane!...
— Val dicht jij... snödolf!... hoonde grootmannerig