457
aan de leege, neerslachtige en dorre alleenheid van het verborgen vrezen, dat een oplossing wou, om zichzelf weer sterker en rijker te maken in een ander. Toch bleef ze vreezen dat Karei niet den weg wilde dien zij gekozen had of kiezen ging ook na haar vernedering. Dat martelende verschil zou hen van elkaar houden. Zij haatte somberheid en gebrek. Ze wou zich bedwelmen aan geuren en glanzen. Zij kon zich ״geven" voor het bezit van een zachten, verrukkelijken pelsmantel, voor weelde, omdat ze het zich-geven en daarvoor ontvangen, alléén als een onverschillige en nuchtere uitwisseling van zekere levensbehoeften hield. Mooie Karei niet! Die spoog op weelde, op geurtjes en ingebeelde mooiheid van meubels en stoffen. Hij begreep niets van Corry's drang naar verfijning en opschik. Hij noemde het een gure schijnwereld van fraaiigheden die verkleurden. Maar het hevigst botste zijn verzet tegen den ruil: haar lichaam als betaald bezit voor weelde en schenkingen te verkoopen. Dit vervloekte hij in Corry; dat vond hij vuiler en liederlijker dan de daad van de wulpsche vrouw, die zich uit zuiveren hartstocht en drang aan iederen man gaf van wien ze bevrediging begeerde.
Corry kende Karei Burk. Hij zou er niet toe te brengen zijn haar te volgen in de eigenzinnige oplossing van de moeilijkheden welke zijzélve tusschen hen schiep. Hij liet zich niet met strootjes binden; zelfs dat voelde hij als een kneveling aan. Corry durfde niet eens gissen, hoé Karei kon zijn, nu hij alles van haar ongeluk wist. Natuurlijk zou hij het als een bestraffing op haar lichtzinnigheid beschouwen, maar ging hij niet gelijktijdig van haar walgen? Of vermoedde hij nóg niet? Ze moest, moést hem weer zien, al kwam hij haar te kastijden. Harry begreep dat hij een vrouw als Corry van niets kon tegenhouden en toch verzocht hij haar dringend niet meer naar den Zeedijk terug te gaan. Ze lachte, lachte op een helsche, wrange manier, schamper, hooghartig. Hij kénde nu dat lachgeluid, waarmee ze zonder een letter