456
opdringen aan ״de nieuwe star van het Zuiden", havende ze zóó hevig met spot dat ze afdeinsden. Ze lachte om geaffecteerde spraakjes, beschavings-cultuur, hoogdoenerij. Ze lachte zoo wrang en wreed en ze raakte zoó striemend den achtergehouden maar kleverigen aard van de mannetjes-hartstochten, dat geen der intellectueele pronkers zich ongewapend in haar nabijheid waagde. Dan genoot Harry stilletjes van de diep-origineele wijze waarop Corry alle steltloopers de stokken onder de beenen wég-sloeg. Zoo droogweg betitelde ze op ״zijn Jordaansch", al hun gekke hebbelijkheden en gebreken, zoo vlug teekenend en gevat, dat het de kerels begon te duizelen. Ze lééfde in haar sarcastische uitvallen; ze hamerde, hekelde en luchtte haar wrok. Nu had ze geen bewondering meer voor hun mooie kleeren, hun dassen, boorden, ringen en juweelen. Ze zag achter de kleeren, allemaal menschen van gelijk soort, naakt, armoedig in hun hartstochten en éven armzalig hunkerend naar genot, als de jongens uit hair buurt, onder het mindere volk. En ze minachtte nog al wat kérel heette. Ook Mooie Karei, die niet meer was ópgedoken. En tóch... hoeveel méér man vond ze hem dan al die malle fatten met hun zure airtjes, apenfratsen en gepolitoerde haren. Karei had avonturiersbloed in zijn lichaam. Hij kon zingen, hekelen, vechten; hij kon een vrouw overmeesteren, neerwerpen en tóch in haar waarde laten. Hij had niets slaps en karakterloos. Hij alleen bezat dat vlammend-schroeiende in de liefde - dat haar begeesterde, ópwond en den be-zwijmings-roes bracht dien ze begeerde. Corry vond er geen oogenblik gemeenheid in, haar zinnelijke verrukkingen en hartstochten met hem te bevredigen, als ze maar de weelde-warmte van het verzorgde bestaan om zich heen mocht voelen. In Karei verwachtte ze dezelfde hunkering naar het liefde-genot, dezelfde aanprikkelingen en stemmingen. Ze hoorde het in zijn zingen, ze zag het losgloeien in zijn vechten. Het was een smartelijk zich ontworstelen aan de armoe van het werkelijk bestaande,