449
Op de oude woning van de Westerstraat hield haar . vader indertijd een heel groot duivenplat. Het was een late lente-avond bij zonsondergang en een roode scheme-ringsgloed doorblonk lucht, daken en huisnokken. Vader Frans begon net zijn duiven los te laten. Hij genoot altijd onuitsprekelijk van dit uurtje bij mooi weer, als de hemel van goudlicht brandde en hij zijn vlucht over de afgekoelde ruimte kon heenjagen. Corry mocht altijd meekijken op het hooge plat met het zwevende en duizelende uitzicht over de stad. Frans had twee van de schranderste knikkopjes onder zijn onstuimige vliegers gedresseerd, bij het bocht-zwaaien en zwenken van de groote vlucht, rond Corry heen te kringen, om dan, bij het naderen en dalen van den zwerm rond het plat, klapwiekend op haar neer te strijken.
Ze gierden van de pret en Frans voelde zich gelukkig. Kwam de zwerm voor den vijfden keer, dan moesten de gedresseerden eenige rondgangen mee opsteken, tegen de purperende avondzon in, om dadelijk weer, op een fijn fluitseintje, uit den koppel los te zwenken en neer te klepperen, ieder aan eén kant, op de wachtende, tengere schoudertjes van het kind. Frans deed niets dan overal heen zijn vlucht nastaren. Zoo móói vond hij het, de diertjes te zien gegrepen, van onderen óp, door het zonnegoud, de blanke veeren en vleugels schitterend gedoopt in het roode licht, over daken en hemel de purpering van den avond. Het blauwgroen en weerschijnend violet van krop en stuurpennen tegen de witte ruggetjes, herkende hij uit de verte onder tien andere zwermen. Telkens zag hij ze in kleiner kringen om het plat heen-zwenken, wanneer hun vleugel-gedruisch boven zijn hoofd ging zingen als een zware zomerregen-bui. Maar Corry bleef staan, de schoudertjes wichtig opgetrokken, tot de twee geeloogjes uit hun wijde ommegangen door de lucht neerdaalden op het lévende tilplankje.
Op dien middag, midden in zijn zoetst vergenoegen, zag ze haar vader plots wit worden. Hij keek in schrikke-Van Nes en Zeedijk 29