448
tor weer bij wou draaien, kon ze een écht-zijden blouse met oude kant van haar cadeau krijgen. Ze werd nou weer werfster voor een geheim bordeel dat met goud betaalde. Maar ja,... die teef, die wou in het goede?
Corry benam haar weer alle andere gedachten. Toch niét meer als vroeger. Toén had ze in het dolle naar de meid verlangd, gekweld door haar zieke lusten. Toen zou ze alles voor de vermetele blonde in den steek hebben gelaten. Toen had ze niet meer gedronken en gegeten, verscheen de deern in haar onrustige droomen. Nü zag ze alleen het wraakgierige mom van de gekrenkte en onteerde meid, die gooysche durfal, met het mes éven gemeen als Rooie Dirk en Piet, de pooiers, die ze tegen Corry had ópgehitst.
Manus vertelde Corry van Jet's pijnigingen en benauwenissen. Corry zei niets, maar inwendig roerde zich in haar een woeste vreugde. Dit zou het begin van wraak zijn. Ze kon nu het wijf de hersens krankzinnig kwellen, door altijd maar te dreigen, zonder te doén. O, ze zou nooit, nooit bevredigd worden, als ze bedacht wat voor ontzettends ze had doorgemaakt, de drie dagen alleen in den achterkelder van Moeke, de drie dagen na de overrompeling. Ze was nog éénmaal op een middag, de huiskamer van Nel ingestapt en had hartverscheurende ruzie met haar moeder gekregen. Die wou, na al het verschrikkelijke, niéts van het ״verhaaltje" gelooven. Ze kon haar slet van een dochter niet meer voor oogen zien. Ze bleef dood, dóód, haar en de kinderen afgestorven. Zélfs Frans Leerlap had verontwaardigd meé-gescholden, zooals Corry hem zelden hoorde. Hij koesterde een oude duif, wier ontglansde veeren bij pluimpjes in Frans' handen achterbleven, terwijl hij Corry bekeef en Nel's wilde woedewoorden ondersteunde. Ja, ééns had ze haar zachtaardigen vader nog een keer wild en heftig gezien. Ze herinnerde er zich nog alles van, als een meisje van nauwelijks tien toen het gebeurde.