447
Jet grinnikte.
— Corry heb 't lef fan 'n gooser,... je bin je leefe nie meer séker.
Joden Jet zweeg en huiverde. Ze voelde aan Manus' toon dat hij de volle waarheid sprak. Na het gebeurde in de donkere ״Turksche Wacht" loerde Corry op haar. Al de meiden vertelden het met schrik in de oogen en trillende stem. Allemogendste Vader! Zou ze nou zóó aan haar eind komen?... Door dié meid juist overhoop gestoken? Of door dien lefzetter van een Karei? ... O Semaje! Joden Jet het gasthuis ingedragen op een wagen,... awel,... half dood! Maar ze had toch al zoovéél ijselijke akkevietjes doorgemaakt,... zou ze daar ook niet doorheen sullen?
— Fifa Hollandia!... zong ze schor in zenuwangst. Als ze eens hulp tegen bedreiging ging inroepen bij de prinsemerei? Die lachte zich natuurlijk een orgel, als zij, Joden Jet, om hulp kwam tegen een meid-van-de-vlakte. Wou ze Lou eens over zijn tapijtje aaien? Nee, die zou haar een kaakklap bedeelen en het fijne teefje nog zelfs ophitsen tegen haar. Die zou krijschen: ״scheur die kinder-verkoopster maar fan mekaar!... die gemeene sloeber het 't an je ferdiend!" Ze kende Lou en die wist alles van haar koppelaarstersbedrijf. Nee, de kerel verafschuwde haar. Bij niet eén vent in de Nes kon ze bescherming vinden tegen den wrok van Corry. Ze zou maar weer op reis gaan, meer, veel meer dan vroeger, tot de wraakzucht bij het niesse een beetje gekoeld was. Het afgetroggelde goed mocht ze voor haar part houden, smeigelde ze naar Manus, die nu niets deed dan glimlachen.
Soms durfde Jet haar Nes-woon niet uit en er niet te slapen. In alle hoeken en gaten, nabij portaal en zolder, loerde ze of Corry er ook verscholen zat, om haar een verraderlijken por te geven. Als de mooie
Tapijtje: jas.