446
Manus zong door, nóg zachter:
Mijn gedachte, Bleefe fersmachte, Mit al me krachte Fan 't wachte Op 't liefe kind!
Joden Jet brulde en hinnikte van woede. Zoó dood-sarren kon haar alleen de Bochel. Geen enkele beschuldiging sprak hij uit en tóch zei hij alles. Grauw bleekte haar mager gezicht.
— Bevrore hond! ... raasde ze weer.
— A'je wil,... lachte Manus sarcastisch,... lui ik al de klokke van Cornefilje veur je uit.
Jet vloekte giftig en Manus dreunde ijzig-onbewogen een reglements-paragraaf van een visscherscollege op...
— 't Water,... om te fissche,... sel d'r gekose worre deur de lede... uit drie waters... deur 't Bestuur foor-gesteld fan 't kelésie!...
— Stik kromme nagel!... barstte Jet nog woedender uit.
— De meeste stekelbaars ... éérste prijs! ... juichte Manus,... de swaarte gaant nie feur!... 'n F eestmars... mit saltemertaals feurop!
Joden Jet kon tegen Manus' wrangen sarspot niet op, zoo vol venijnige bijbedoelingen en giftstekeligheid. Op zijn tergend kleef-bakkes ving hij al de gonzende vliegen vast.
Nooit had ze een kerel met zooveel kwellende en afmattende gedachten in den kop ontmoet als Bad-Aap. Hij pochte noch snorkte; was geen waailap en geen bullebak, maar een kwast waar je niet van loskleven kon. Aan het eind deed de Bochel haar nog beven, toen hij, tus-schen een diepen pijphaal en een valsch oog-dichtknijpen, eruit perste:
—■ Neem je in acht feur 't niesse,... en feur Mooie Karei.