441
gewaarschuwde kerel staat een koene. Een hinkende durfal is minder waard dan een vlieg-in-den-wind. Manus wou niet zeggen, dat het hem stilletjes kwelde, die plot-seling-ópenbrekende liefde van Jan voor Corry. Zoo een vent, gezond van lijf en leden, kon dadelijk zijn slenter aanvangen. Maar hij bleef hangen tusschen hel en hemel. En Jan ook zette een gezicht alsof hij de vermanende woorden van Manus als een strak grapje moest verwerken. Luidruchtig zong hij:
Nou friend faarwel, ik mot d'r sijn! De visch is tug veur u en mijn! Daar motte we fan leefe. Ik sel me selfers wel 'n porsie geefe!
Hij moest al door een heéle zware zee op zijn test geslagen worden, beweerde hij naar Simbad en Manus, wou hij dat zalmpje laten schieten. In nood en dood nóg niet en den derden van Sint Jan zat de deern vast op zijn knie te wiebelen. Zei hij te veel? ... Welneenet! Eerst ״zijn eigen" even frisch geteerd, vóór hij uitvaarde. De vlaggen ópgewapperd... en als de kaptein van de baak afriep: Zeil in zee!... gunstige wind!... 't gaat lustig!... 't Marslapje op z'n kop en zoo met groot gewag langs Corry gelaveerd!... Meid... je bent mijn! Ik heb de beste steé... de beste zee!... Dan was het geklonken!
Weer ging Manus er schuw tegenin, nu alléén om Jan, zonder een ideetje afgunst, te ontgoochelen. Zag hij nu heusch niet, dat die deern geen portuur was voor een " matroos? Zoo een dwarskram leek hij oók niet en zijn hart ging toch niet subiet van de waarheid kwijnen? Jan heette een kerel, maar moest het ook wézen. Zou hij een mal borduurwerkje van een vent zijn,... Manus zou gezwegen hebben. Nou niet. De rijkste zwabbers sloeg dat bij-de-־׳ handje af, met een snauw en een spotwoord. — Maar ikke bin oók geen slokkiesbaas!... viel Jan half gekrenkt uit.