443
Nou begrepen ze het, waarom Manus onder die omstandig׳ heden niet zinken kon.
— A'je gaat droge in de son,... vergoeilijkte Jan Gouwenaar.
— Nou, dè deed de frou fan Nelis Pekbroek ook,... die ״fersoop" d'r eige fiermaal in de week, maar se bleef altijd hake an de brugleuning!
— De frou fan Nelis,... zei Simbad gemeen,... is ónse frou!... Soo heet se ... ónse frou!
Corry keek den uitsmijter om zijn bluf minachtend aan en Jan begon weer óp te stuiven.
— An soo ies fuils begint een kérel nie!... bulderde hij naar Simbad.
— Brafert,... hoonde de uitsmijter,... mö je ...
— Wa?
— De koek?
— Wa?
— 't Geld of de medalje? ...
— Ik snap de wortel,... beet Manus naar Simbad, terug.
Corry kreeg er genoeg van. Vlug groetend stapte ze weg.
Jan Gouwenaar bleef doordazen over Corry en heele-
maal razend werd hij en opnieuw „hoopvol" verliefd toen hij hoorde dat Manus niets met de meid uitstaande had.
Het was een vrij hartje, maar van een heel vreemden bakaard. En ook voelde Peet zich gedrongen den heet-koppigen matroos te vertellen, dat Mooie Karei op haar tippelde, de stoutste knokker van den Jordaan.
— Soo staat temeê 't toestel,... nou jij de plate knijse!
Maar het kon Jan niet bommen, al lei ze in een kruisnet
of vleet te spartelen.
— Wè sou 't? ... al had s'r tien die op d'r tippelde,... tug dóódstroom... Dat is seekerst nog geen faste fer-keering!... Ik sla d'r an!...
— Ope see in,... mit bram op bram!... stemde Simbad mee.
Als hij later niet terugspartelde, meende Manus. Zoo als een mensch dreef moést hij wel drijven, maar een