442
— Was je d'r maar eén, dan hiel je tenminste 't vuurtje bij 't schuurtje!
Jan kon het nóg niet gelooven. De meid had toch zoo innemend gelachen en haar prachtigen toet telkens zoo lief naar hem toegedraaid.
— En d'r stem,... singt as ... as ... 'n damiaatje!...
— Ugg,... ugg!...
— Soo handsaam as se praaide,... lachte Jan gelukkig.
Wéér moest Manus ontnuchteren en vertellen, dat ze
zoo iets naar een iéder deed dien ze niet onaardig vond.
Het was een behaagzucht zonder slechte bedoelingen. Simbad behield een sarrende kalmte en gooide telkens een koeler, hatelijker en wranger woordje tegen Jan in het gesprek.
Toen begon Jan in te zien dat hij voorbarig was geweest en de matroos keek heel droefgeestig naar den grond. Zoo als hij ook altijd alles op haren en snaren zette! Die meid had hem in stilte natuurlijk glad uitgelachen en als een speelhondje bekeken. Hij riep zijn overoude bestemoeder te hulp, om dat ongedaan te maken. Zoo een optooisel verlangde hij als kerel niet. Wanneer de deern hem met haar tergend-lieve lachjes bedroog en misleidde, dan kon ze voor hem naar de pof-hansen hollen waar ze onder thuishoorde! Hij wierd niet gauw week in het hart, maar dat zou hem toch laten grienen. Hij werd ״zijn eigen mans" en hij zou liever op een gepekten ton dansen dan met haar een ónwilligen kuier maken.
Zoo pruttelde Jan tegen zijn eigen minne-ellende in en Manus voelde rarigheid nu de kerel zoo naargeestig keek. Kom, hij was toch geen theestoof!... Vóór hij de meid had gezien, vond hij het leven toch oók nog de moeite waard.
Jan knikte en in schijn-vreugde stelde hij voor met een v bakje den Zeedijk over te rijden, den vlaggetjes-zakdoek te laten wapperen in den wind en als dronken roergangers te avonturen op den vrijen min!