431
op 'n bekende jonge hè,... die me in de flank fait... Ik denk... hou je in lij Jan!... Pats!... da staat Willem Hoope; ik poekel 'm an, praai bij... Geen sjoege... De vent is soo dronke as 'n paard!
— Da is ie altijd,... meende Sim.
— Ka jij nie konsteteere,... sarde Manus.
— Ferwè nie?
— Mö je sélf nuchter foor wese.
— Die boef!... stootte Sim er woedend uit.
— Wa?... hij 'n boef? ... viel dadelijk met vuur verdedigend Jan Gouwenaar uit,... dan most ie éérst joü tronie hebbe,... joü rimpels en jou püiste!
— Soo,... doch ie? ... lachte nu op zijn beurt inge-houden-valsch en beheerscht Simbad, zich even stil met Gouwenaar metend.
Maar Jan overzag zijn ontplofte woede-oogen en het beven van zijn korte, harige handen.
— Jij bin d'r fast stapelmesjokke Manus,... lachte Jan weer door.
— Soo me nukke hè?... weerde Peet oolijk af, terwijl zijn linkeroog onrustbarend sperde.
— M6 jij... jij,... dreef Jan hardkoppig door,... in die stinkende sloot fastgedobberd sitte?... Soo haal je de Kaap nie... of seg ik te veul? Welneenet!... Kom mee, mi mijn persoon... op de wije osejaan!
— O, meen je 't op soo'n marjenier? ... Nou ... ik seg: geen piek waard!... ontnuchterde Manus droog het enthousiasme van Jan.
— Wat? ... heesche ketroll
— La maar soo ... waterverf!... Op land,... op see,... aldegaar eén-pot-nat!
— Jij praat figelant, dè mo'k segge,... zei Jan gebluft door Peet's toon.
Manus gekscheerde door, dartel en zichzelf in rookwolken omdampend. Ironisch beweerde hij, dat zoodra de Bochel zijn lampjes verloor, hij matten, borstelwerk, straatbezems... alsmede reparatiewerk ging maken voor