432
UEd ... voor Sijn Edele en Haar Edele ... Fijn bedele langs de spiesies... a één cent per duim!
— Nou ferkoop ik alleenig poetspoeier fan Jode Jet, maar waardeloos schoeisel as anderszins apseteer ik in de diepste dank, vat je? ... Lap jij 'm da nou op de ״wije osejaan"!
— Wè sou 't,... antwoordde Jan, die tusschen de ironische scherpte en bruisende boertigheid van Manus' spreken en spotten doorzwenkte als een benarde loods tusschen gevaarlijke zandbanken.
— 't Soust niks!
— Wè sou 't!... en jolig trok Jan een prachtig pronk-zakdoekje uit zijn vest en klapperde de wilde kleuren van de erop geschilderde vlaggetjes blind dooréén, vóór Manus' dichtgeknepen oog.
— Dat is werk, hè Bochel? ... Kijk dè sakdoekie ... is d'r afgeset mit alderlei flaggies hè? ... Seg ik te veul? ... Welneenet!... Hier hei je ... rood mit 't witte draakie... Turkije!
— 't Lijkt Jode Jet wel as se niesse mot!... meende Manus.
— Daar,... ging Jan goeiig voort,... geel hè? ... mit die swarte bromflieg en se vuurrooie hart!... Seg ik te veul?
— Welneenet,... viel Manus weer snaaks in, eér' Jan het zélf kon zeggen.
— Egypte!... da's 'n fijne!... onderrichtte Simbad, die éven protserig met zijn vlaggenkennis voor den dag wou schieten als oud zeevaarder.
— Soo,... bromde Jan.
— Nee, dè rooie feld,... wees Simbad,... mit die witte maansikkel,... en... en dè fijne sterretje!
— Ajje daar uitsmijter kon worre hè? ... lachte Manus ironisch naar Simbad.
— Mö nie!... beet hij stram weg.
— Jare komme... jare gaan,... zong Manus ... wat de wereld ook mag geefe,... Simbad nooit na de hallefe maan!