427
van Vader Cats, ouwbollig, met ris, zoo rond de taal a|§ zijn kop, de oogen in schuimenden levenslust en het hart warm en vol. Wat Jan Gouwenaar onderging of voelde, dat flapte hij er onmiddellijk uit, zonder schroom of bedenksel. Dadelijk begon Jan te vertellen niet te hebben gedacht dat Manus nou al-die-jaren-door zóó godscrimineel leelijk was gebleven.
— Sie je,... je kop is soo geel as 'n gemeniede reeling, vat je? ... 'n Mensch is ongestadig as de see ... Nou had ik je prentje, sa 'k maar segge,... in me achter-, roefie hè? ... En tug ... tüg kon ik je bakkes nie veui׳ de boeg hale, hè? Seg ik te veul?
— Welneenet!... ironiseerde Manus, genoeglijk door-! rookende.
— Sie je... maar nou hè 'k je manslijf veur me hè? .., Maar je bin nog veul leelijker as ik docht had. Hahaha{
Manus' linkeroog kneep dieper vast en Jan Gouwenaar lachte bulderend. Hij had gepompt in zijn geheugen. Maar het hielp niet. Hij scheen er zooveel vergeten. Zijn kluiversschootje leek temee stukgescheurd! Zoo een oud scheepsgezel als hij zong er geen dankpsalmen meer. Zijn moeder ja, die had hij nou altijd voor zich gezien,.., maar de rest was wéggeplonsd! Geen schepsel bleef er dicht in noodweer, geen luik heel.
Toen vroegen ze elkaar van weerskanten naar oude kennissen en toestanden, en Jan lei zijn naakte hebben en hoüwen met gulle woorden bloot.
— Nog niks vast? ... vroeg Manus.
—> Heb nog m'n getij nie, maat.
Jan woü wel trouwen, maar alleen als hij afgezworven had. Eerst de stórm achter zich, dan: steêvast,... een vrouwtje dat kromp als een bies, voor tucht en roede. Zoo kon ze wennen aan een hooge en bolle zee en huilen 's avonds bij een donkere maan en een uitgespleten lucht Nee, nee, Jantje Gouwenaar bleef vrijgezel aan het goede ree'tje... tot de herfstblaren woeien in het want. Dan zou hij uit de kooi opspringen, om te zien hoe het lag en het