425
trotschen nek... wel van het Koninklijke Huis. En al wat ze zoo poekelde was draai- en smeedwerk van de eerste klasse. Hij had haar nog even gevraagd hoe het nu moest met het verborgen en bewaarde ondergoed. En met een fijn-smalend lachje antwoordde ze:
— Kruip er sélf in è j'r plesier in heb!
Allemenschen... hij had er nóg pret van! Hij, hartje-
wat-lust-je en mondje-wat-begeer-je spelen in de kleeren van Corry. Om het uit te proesten!
Nu mijmerde hij weer over het feit dat Corry hem Bochel noch Bad-Aap meer noemde. Zonderling,... hoe kon zoo een oude, zure-ballen-pruimer als hij, over zulke akkevietjes nazeuren? En tóch zong het in hem:
't Was in de lente,... in buurt YY, Da's de Centuurbaan,... stille sij!...
Toen Manus juist even rustig ging zitten en zijn karig gemeubileerd, warm kamertje met zekere schamperheid bekeek, teeder en doodelijk voorzichtig zijn ganzepoot-pijp tegen een zeemlapje opwreef, werd zijn naam aan de trap afgeroepen. Hij was het woord ״Peet" zoó ontwend te hoor en, — een bochel hiette toch vanzélf Bochel, — dat hij zich moest bezinnen en tot zichzelf zeggen:
— Kriek,... dè bi jij mee bedoeld.
— Akkoord!... hijsch óp!... schreeuwde hij in het donkere portaaltje terug. Maar niets werd opgeheschen. Wéér klonk een schreeuw: Peet!... Manus Peet!
De post? ... Voor hem?
— Akkoord!... ik sak!
Toen bonkerden zware voetstappen aan. Wat nou? ...
Daar stond plompverloren, Jan Gouwenaar voor zijn neus, een matroos, zijn eénige en beste vriend. Ze be-zwaaiden elkaar de handen en zeeman's stem zong van blijdschap en vriendelijkheid. Hij kwam Manus aanhalen.
— Sie je... ik doch... lééft die kast nog of leeft ie niet? ... Soo'n ouwe roerganger... is hoeksch of kabel-