ELFDE HOOFDSTUK.
I.
Manus verkneuterde zich stilletjes. O jessis ja!... De Heere was wel een verzoening voor onze zonden, maar als een christenmensch den godslangen gloeienden zomerdag achter een toonbankje garen en band, sajet, wol, kastranden en geschulpt papier moest verkoopen, zooals hij vroeger bij zijn ouders,... tot hij doodsuf in mekaar zonk, neen, dan liet de Herder het schaap onmenschelijk veel ontbreken. Zoó godslasterend peinsde Manus Peet op een morgen, dat hij in de Nes loopende, Corry had ontmoet en gesproken. Hij zocht in zijn warmen knar naar het verband tusschen een plotseling zeer onaangename jeugdherinnering en het aanhaken van Corry, zonder het te kunnen opsporen. Drommels... drommels!... de meid zag er heerlijk mooi uit. Nóg verkneuterde hij zich in het zondige gezicht van dat schepsel. Zoo een niesse scheen een compleet electrische inrichting. Waar je haar roerde, brandde een creatuur als hij zich de toppen. En al vluchtte hij de Steenwijkerwolder-polder in, al wierd hij op slag een Emausganger van het eenzaamste soort, je raakte zoo een toet voor je flikkerende lampjes niet kwijt. Ze leek zoo wijs, zoo rustig en zoo sterk, vond hij, na al het gebeurde. Ja, toch had ze met trillende stem naar Joden Jet gevraagd; één oogenblik zelfs zóó vreemd geloerd, dat hij ervan schrok. Toen knikte hij en zei niets. - Hij wist het warendig zelf niet, waarom hij dat niesse eigenlijk zoo dolgraag zag en sprak. Origineel was ze, goed... Maar, gruttemejanus nog toe!... hij, Manus, verloor zelfs zijn gefokte bedaardheid. Hij ging voor haar door het vuur als het moest. Ze leek met haar
f ' ׳ '־f.