422
hij hem nog nooit om een deern gezien. Al de jongens van de buurt gaapten ervan. En op den Zeedijk wisten ze het allemaal van Corry, hoe hartstochtelijk ze den stuurman met den naam van Kareltjelief had gekoesterd en gezoend.
Eindelijk kon Karei het niet langer uithouden. Hij overrompelde Moeke. Nu móest hij weten waar de meid zwalkte, of hij zou den heelen boel kort en klein slaan.
— Best kaptein, ga snuffele,... had Moeke hem onder een fijn-sarcastisch lachje op de gele tronie toegeroepen, haar bloedkralen eén voor eén met de vingers betastend.
Corry was juist den vorigen avond, na een nieuw ge-tuigen-verhoor der politie, die geen enkel bewijs tegen de pooiers in handen kon krijgen, door Moeke naar haar naamgenoot getransporteerd op het Kuipersgrachtje.
Karei keek sip rond in den lagen bierhol-kelder. Hij voelde dat Moeke hem fijntjes beet nam, maar hoe het in mekaar greep, snapte hij nog niet. Schijnbaar belangstellend, om zijn verlegenheid te verbergen, betuurde hij de donkere muren en de honderden ansichten en portretten van boevenkerels en boevenmeiden, kriskras dooreen geplakt. Toen zag hij naar een vent in de kroeg, die een anderen gast zijn buis verkocht voor twee potten bier en zelf in zijn goorstinkend hemd bleef zitten slobberen.
Een lijster in een groene kooi floot zacht en kort. Mooie Karei voelde zich allerellendigst in dit hol. Altijd zong het in hem, bij triestige tegenvallers: nog zijn de Geuzen niet dood! Hij liet zijn eigen bestaan niet vergiftigen door hopelooze gedachten, noch werd hij een ontzenuwde, slappe, willooze en naargeestige slampamper, die zich in zelfmeelij liet wegdrijven op machteloos gemijmer. Hij wou toetasten, altijd; altijd zich opnieuw zuiveren en versterken tegen neerplettend verdriet in. Maar nti kwam er toch iets heel vreemds door zijn knar heendringen. En moedeloozer dan bij het inkomen, stapte hij weg. Blonde Kee en Na repten hem schuw van