420
pijnigend óp te laaien, dat hij zichzelf den dood toe-wenschte. Zou hij haar maar ergens kunnen aantasten, maar ze bleef onder. Toen kwam de krant, haar naam noemend in het vermoedelijk complot. Karei beefde als een uitgehongerde schooier die een korst vindt. Hij griende heete tranen, woedende, smartelijke en schaamtevolle tranen. Hij begreep er niets meer van, nu hij er nog allerlei gemeene dingen van Corry bij hoorde klappen. Moest dié meid nou de bajes in, zij, die zich het liefst aan een zijden halsdoek had opgehangen? Tienmaal liever ware hij zélf zuur geweest. Wou ze zich niet wieberig maken, met behulp van hem en de makkers? Kon hij zich maar eens klaar voorstellen wat ze nu eigenlijk gedaan had. Hij kende haar. Oók de Jordaansche, échte ^n niet-afgunstige vriendinnen. Die getuigden allen dat Corry wel zoo véél lef had alléén, als zij allemaal bij elkaar,... maar dat ze veel minder tegenover vrijers en losse avondgasten op haar kerfstok had dan de meiden die niét zoo tartend, loslippig en gemeen in den mond waren. Corry flapte er allerlei zélf-beschuldigende liederlijkheden uit, voor de brutale, tartende grap, maar nooit en nimmer stond ze een kerel iets toe, al bedelde hij er om of ging hij somber dreigen. Ze vonden haar zelfs allemaal wreed, hardvochtig de kerels in de war sturend en toch zoo koud als een steen. En daarom begrepen zij evenmin iets van Corry's daad als Karei. Haar dunne lippen konden zoo smadelijk-koel de hittige verliefdheidjes der opgewonden mannen beschimpen. En de goudachtige oogen keken zoo vermetel en spottend over hun scharrelende en verlegen lichamen héén als ze haar begeerden. Zou die duivelsche meid in haar verbijsterend jeugd-mooi, haar onrustige levendigheid, haar afstootende en aantrekkende manieren, zich zoo plomp en stom weggegooid hebben aan een paar vreemde, leelijke snoeshanen van matrozen? ... Hij kon er niet bij.
Wieberig maken: uit de voeten maken.