4i6
dagen van vreeselijke verdoffing, pijn en doorgriendheid, kwam er een soort van onverschillige rust in haar. Ze begreep dat ze na het gebeurde niet meer naar huis kon gaan. Nu doorleefde ze schrijnender de smartelijke woorden van Dien, toen, op de bloemenmarkt tot haar uitgejammerd. Nu hoorde ze weer de angstige waarschuwing van de beklagelijke meid: Pas óp Corry,... pas op als je eenmaal leit! En toch,... het roerde haar al weer minder. Ze begon gelatener te ademen. De zweer was doorgeprikt, de felle lastertongen zouden wel eens eindelijk uitgeklapt raken. Moeke grinnikte soms als een tandelooze bes. Corry voelde het zelf wel,... het leven greép haar weer met zinnelijke streelingen. Ook de gedachte, nk het smadelijke gebeuren zich te moéten verdoen, kwelde haar niet meer zoo hardnekkig. Integendeel ... ze woti niet dood! Ze was en bleef het bijtertje. Wie had het roer bij haar omgeworpen? Niet zijzélve. Ze begon waarachtig weer te lachen en te schimpen. Haar dubbelnatuur deed het verrassende werk. Ze had weer wrangen lust er alles van haar wrok achtereén uit te flappen. Wat nou? Wou zij katachtig valsch en gluiperig haar prooi beloeren en bespringen? Wou zij afwachten, geduld uitspinnen en haar wrok in wreede en bezonnen lijdzaamheid stil-aan voorbereiden en volbrengen? Om te gieren! Wel zou en kon ze venijnig plagen en doórkwellen, maar alleen als ze even veel keeren mocht losschieten in lefbuien. Zij dood? ... Wat zou het! De wijn scheen nog niet heelemaal uit de zoete druiven getrapt. Ze was géén del. Deed zij wat al de Zeedijkmeiden deden, in de gloeiende danshuizen met het vaarvolk en de pooiers? Al zetten de sletten oogen op als dobbelsteenen, en al schreeuwden ze van ja!... zij zou het loochenen, honderd en nog eens honderd maal. Zij was laaghartig dronken gevoerd en overrompeld. Piet, Dirk, Nachtuil en al dat snoevende rooftuig gisten dat zij na het gebeurde een gebrandmerkte dievenmeid zou blijven, die Mooie Karei kwijt raakte en jadhtig-bevreesd een