4i5
Die knappe jongen besefte althans dat zij niet meegeroofd had. Even ontroerde ze fel, kreeg ze een hevigen hartbons, voelde ze een zoete streeling van blijheid. Nu herinnerde ze zichzelve weer dat ze wild op Piet was toegesprongen, toen hij den stuurman half geworgd had neergeworpen. Ze hoopte dat ook hij dat nog wist.
Matje vertelde door;... de beroofden en mishandelden kenden slop noch steeg en hün kerels waren toch eerst opgedaagd, toen de zeevaarders al stomdronken meegelokt waren naar ״De Turksche Wacht". En de meiden hadden uit één mond getuigd, dat ze tegen donkeren de matrozen en den stuurman lieten glijên.
Moeke's kanarie-geel gezicht dook achter een beschimmeld muurbrok óp in den duisteren kelder. Ze luisterde gretig mee naar snoeiverhalen en naar ijselijkheden van haar jongens. Ze stemde mee in, mummelde dat het als een mare over den Zeedijk ging en dat de stomme fladder vol moest staan van het gebeurde. Stille smerissen koersten om haar hotel, lachte Moeke; als die russen niet uitknipten viel er straks nog per ongeluk een breekijzer op hun knar. Rooie Bram stond op den uitkijk, met zijn halfbloote bobbert, en de dwarsgang bleef opgepropt van nieuwsgierige wijven met het roert je rood en de bus open,... lachte ze hooghartig.
Ook Corry's mee-uit-varen-gaan stond in de fladder, juichte met gesmoorde vreugde Matje's stem. Een heel stel bij elkaar had een pleziertje getroffen. Corry voelde zich valsch worden. Ze knelde het mes dat ze bij zich droeg vaster in de hand en sprak geen woord. Toen ging Matje, teleurgesteld, zóó kras op Corry's zwijgenden wrok te hebben gestooten, éven aarzelend weg als ze ingeloopen was.
Een paar dagen later werd Corry als getuige verhoord. Ook zij verzweeg, uit een soort van instinctief zelfbehoud, de nachtelijke rooverij in ״De Turksche Wacht" en de aanranding der souteneurs op haar zélve. Eerst, na
Hussen: rechercheurs. — 't Roertje rood: drankneus.