414
een ״jonge" gevlucht was, het hol in. En dan lachte ze zich het gezicht „parlmoer" als ze het snuffelende dofgajes bij den neus had genomen.
Moeke bleef Moeke voor de gammele meid, weggetrapt en met de loensche glimmerikken angstig naar een nieuwen souteneur kijkend, als voor de gehaaide, die met fonkelende „veemstekers" de heitjesbejeizers de oogen uitstak, haar opgepoetste schoentjes op hooge hakken liet bewonderen, de pronkende oorbellen en doekspelden in een spiegelgevecht van glanzen tegen elkaar liet ópschit-teren. Moeke bleef Moeke, doodbedaard; had voor elk een schuilplaats; linkte den bollebof van de bazar als slachtoffers met gedeukte hersenpan voor het grachtje werden opgeraapt, of een rauwe moordgil de russen op het spoor van haar dievenhok bracht.
Toch krenkte het Corry dat Moeke zoo zakelijk-open-hartig met haar sprak, alsof ze al bij de roofbende hoorde. Zou ze maar niet liever weer naar buiten gaan? Ze wist het zeker, dat alle menschen van den Dijk haar zouden aangapen en al de Jordaanmeiden haar bebabbelen. Zij had toch meegedaan aan den roof op de vreemde matrozen en den stuurman, spotte ze in zichzelve met verscheurende ironie.
Plotseling stond op een donkeren namiddag Matje voor haar. Corry voelde zich wit worden, maar bleef toch kalm, vreeselijk kalm. Matje begon schuw en aarzelend, over haar gemeenen kerel en de andere „jonges". Ze vertelde dat er vijf, door de politie waren opgepikt. Maar de vreemde matrozen konden op geen stukken na getuigen waar en door wie ze eigenlijk beroofd waren. En als ze begonnen te spreken van een lange, blonde, mooie meid, en de stuurman, door den translateur ingelicht, begreep dat ze Corry bedoelden, dan stoof hij óp en loochende alles. Corry luisterde en glimlachte.
Linkte den bollebof van de bazar: hield den inspecteur van politie voor den gek. — Russen: stille dienders.