413
— Soo gehaaide!... hoorde ze achter zich een spotstem.
Schuw keek ze om, maar het leek voor een andere meid bestemd. Ze kreeg een duizeling toen de avondlucht over haar strak, uitgeschreid gezicht koelde. Ze voelde zich ellendig troosteloos, zwak en uitgeput van chagrijn.
Ze zag óp naar den roodachtigen nachthemel en ze begreep in haar vereenzaming maar niet, dat zij daar stond. Weer brak een felle, strijdende smart in haar open. Ze stampvoette, snikte en rende terug de voorkelder-stoep af, naar het krot, waar ze drie dagen en nachten had zitten kniezen voor een duf raampje, vlak boven een morsige, walmende gracht. Zóó ellendig, vernederd en getrapt was ze nog nooit den Zeedijk overgeloopen. Voor galg en rad leek ze nog te slecht. Ze rilde voor het kanariegele gezicht van Moeke, die weer troosten kwam en al maar mompelend en vreesachtig-schuw sprak van de linke dofgajes die hun klokhuis moesten laten repa-reeren; dat ze versche bloedplassen hadden ontdekt voor ״den koffer" van Rooie Dirk en Nachtuil; maar dat de jongens een heele prinsemarei-bazar nog te link waren. ■־ Het logementje was toch geen opgekwaste plattekit, schertste Moeke in galgenhumor, waar je platvinken knijsen en koopen kon per liter. Moeke sprak over dieven, inbrekers, moordenaars en zakkenrollers, als over het gemoedelijkst volkje van de wereld. Bij haar piepte het allergevaarlijkste tuig met een kinder-vertrouwen. Moeke scheen uitgeslepen voor tien en wist niet van door' slaan of versliegelen. Een poenbroekje had bij haar evenveel rechten als een doorgewinterde met de roode strepen van twintig jantjes op zijn mouw. Een tippelaar op houten klompen lichtte ze even snel bij met de vonk als den nifteraar. Zij gluurde imaar met haar gele gezicht en opgekrulde kin naar den zandlooper als
Plattekit: winkel, waar gestolen waar gekocht wordt. — Platvink: beurs, portefeuille. — Jantje: gevangenisjaar. — Tippelaar op klompen: lafaard. — Nifteraar: halsafsnijder.