4ii
Wel de zinnelijke bandeloosheid, maar met hém, met hém alleen, de opperste en vurigste drangvoldoening; en verzorgd, omdat hij het niet geven kon, het weelde-leven van de rijke cocotte, koud, schimpend, berekenend, maar vol wonderlijke begoochelingen.
Ze had zich dien gouden droom van mooiste Jordaan-meid naar schatrijke mainteneé al zóó ingeleefd, dat het gewoon-gebeurende haar een uitdenkseltje, en wat zij befantaseerde alleen de eenig-mogelijke werkelijkheid leek. Ze hoorde niet in de rot-Lindestraat, niet op den morsigen Zeedijk. Harry had het honderd maal gezegd, Jet, Mooie Karei zelfs in een onjaloersche bui, alle meiden en kerels. En zoo had ze het onverwachte, het onbekende avontuur, door haar brandende zinnen opge-cierd en vermooid, iederen dag geheimzinniger en prikkelender tegemoet geleefd met een hartstochtelijke en lichtzinnige geluks-beklemming. Het zou de armzaligheid als. buurtmeid van haar aflichten en ze zou ópgaan in dat heerlijk-onbekende.
En nu was dit platte, smadelijk-gemeene en walgelijke gebeurd. O! als Karei het liederlijke ging hooren van haar, hij zou op haar spüwen! Ze kende zijn bijtende verachting voor het lichaam der sletten. Hij zou haar van zijn zij aftrappen en met smaadwoorden schroeien. Ook hij zou niet gelooven hoe vernederend alles gegaan was; hoe verschrikkelijk zijzélve zich geteisterd voelde door die aanranding der kerels. Ze kon hem eigenlijk geen woord openbaren van haar onbewuste liefde-tragiek voor hem. Want in al haar zondige en zwoele zinnen-verrukkingen wou ze altijd toch alléén voor hém blijven. Dat had ze Karei nooit gebiecht. Ze bleef er te trotsch voor. Nu viel niet alleen ״het" avontuur weg, maar ook dat pervers-maagdelijke en beschermde verlangen, het éérst en hartstochtelijkst vrouw te willen worden door Karei Burk alléén.
Corry doorleefde haar liefde-tragiek met Mooie Karei geheel dierlijk-instinctief en in een verdoovende reeks,