4io
ze altijd gemeend nooit iets voor de zoogenaamde schande te voelen. En nü,... nu griende ze van heete schaamte als ze naging wat ze had doorstaan, en tegelijk om haar moeder Nel dacht. Ze huiverde... Ze had eigenlijk niets meer van het bestaan te verlangen. Alles had haar zoo hevig beroerd en geschokt dat ze voelde, als een klemming, er een eind aan te moéten maken. Door een troep beesten van kerels gehavend,... door meiden verraden! Maar ze was toch bezwijmd geweest. Ze hadden haar mishandeld en geknauwd. Ze kon toch... de politie alles vertellen. Maar dan gierde de woedelach in haar óp. Dié kerels zouden haar toch niet gelooven. Ze zou de ״ongelukkige meid" spelen, die stikte in gekke jaloezie,... dat gingen de dellen dan poekelen. En in héél het on-vrouwelijk-schaamtelooze van hun vuile wrok-woede, zou opnieuw verteld worden, wat zij had doorleefd. Neen, ze walgde ook van de politie-mannen; ze wilde tot niets permonje geven. Het was tóch uit, afgedaan met alles! Wat wou ze nu van ״het" avontuur, waar ze in onbewust heimwee naar snakte? Als ze nu eens bedacht, hoe de vernielende werkelijkheid haar neergetrapt had tot een vuile slet en wat ze stilletjes in haar zelfzuchtig droomen durfde te verwachten, dan voelde zij zich door een giftige woede en verbittering gestoken, gestriemd, door de heele wereld smadelijk uitgelachen en een bezwijming van haat nabij.
Zeker, ze had de ontucht begeerd, maar niet om het zondig-walgelijke en gevaarlijke, buiten Mooie Karei. Ze vreesde de gemeenheid niet, als ze zich er bij rekken en rengelen kon; als ze heel rijk en heel mooi erbij gekleed mocht gaan; als ze zelf meiden kon houden en deftig personeel; als ze erbij kon toeren in een auto en 's avonds tartend en pronkend zitten in de comedie, in den circus. En den kerel die haar gekocht had, zien smeeken om een gunstje. Zóó had ze het gedroomd en begeerd,... en dan Karei, haar lieve vent, altijd verdekt naast en om haar.
Permonje: vrijheid, toestemming.