408
smerige, liederlijke slet, als zij allemaal!.., niks meer, niks minder! Voor al de ״broertjes" was ze nu door - de saus gesleurd. Ze hadden een schimmetje van haar genotsvolle uurtjes getrokken!
Corry begreep al klaarder en benauwender. Ze kreeg slaag en ruwe koesteringen. Ze lag ontkleed, de haren losgerukt. Ze riep in een crisis van zenuwstuipende angstdrift om haar stuurman, om Karei Burk! Ze voelde een vreeselijk-pijnvolle en vernielende schaamte om haar toestand, haar machteloosheid en de monsterachtige schending der zwelgers. Toen Piet eindelijk, de Stallesgast, vlak tegen Corry's smartelijk verwrongen en huilende gezicht op, sarrend begon te lachen, wild opgehitst door Riek Kop-zonder-Kies, en er hoestend uitstootte dat Joden Jet nou een fijn bestellinkje aan haar zou hebben, begreep ze inéén alles. Er was aangerand en geroofd. Maar de meiden hadden een ópgekropten wrok tegen haar gekoeld. Dat schorem voelde zich beleedigd door haar optreden, haar mét en niet van hun zijn. Joden Jet had ze allen met gruwelijke, gemeene list opgestookt. Dat wijf had de pooiers bewerkt, ze misschien betaald voor hun vreese-lijke daad.
Bij Moeke in de Kuil, op het Kolkje, bleef Corry drie dagen na het gebeurde, zonder een hap eten, versuft, gebroken en doorstuipt van een krankzinnig wraakgevoel; soms in een toestand van zóó felle razernij, dat de meiden noch de kerels het waagden haar te naderen. Ze had Piet een mes ontfutseld en ze dreigde in een woeste daadzekerheid een ieder overhoop te steken die haar nabij kwam. Ze deed in haar eentje, niets dan hevig huilen, huilen, snikken en trampelen en met de vuisten de muren van het leege, donkere achterkelderkrot bebonken. En was ze uitgehuild, dan begon ze in wrok te vloeken, te razen en te tieren en te schelden. Maar eruit wou ze niet en geen daglicht zien. Alleen Moeke, de kleine,
'n Schimmetje trekken: 'n moment-opname nemen.