nu hij het waagde vóór hem den stuurman te lijf te willen gaan. Vier kerels stormden het kamertje in waar Corry met den Engelschman werd teruggehouden, door twee, met messen gewapende uitkijkers. Corry was hevig geschrokken en beefde vreeselijk. De dronken stuurman in het donker door de uitkijkers bedreigd, begreep maar niet wat ze van hem wilden. Hij slingerde tegen een kozijn op en sprak tegen het kale beschot en lalde beschonken liefdewoordjes naar Corry, die hij niet meer kon zien. Even vlamde Piet een lantaarntje rond door het hok, dat in het stikkedonker de gestalten en gezichten schei-scherp uitsneed in het licht, terwijl een zwaar schaduw-spel over den middenloop heenschimde. Corry huiverde, maar haar hoofd bleef dicht, stomp en vol verstarde onvatbaarheid.
Toen zag ze plotseling twee kerels zich op haar stuurman werpen, hem den nek kromdraaien, terwijl hijzélf van verdediging geen besef had. Riek Kop-zonder-Kies was overmoedig met een lamp aangeschoven om den roof te bespoedigen. De uitkijkers op de gaanderij alarmeerden geen onraad van het beneden-huizende tuig, dat anders oók wou meedeelen.
Plots begon Corry hevig te schreeuwen van zenuw-benauwenis en te schelden. Ze sprong machteloos dronken óp en smakte weer terug tegen een vuil stroobed. Ze krijtte naar Piet en Dirk en Nachtuil dat zij, vuile boeven, van haar Karei moesten afblijven! Piet sloeg haar om de ooren en Riek stompte Corry heftig tegen de borst. Corry gilde en beet en de stuurman, eerst half bezwijmd van liefde en drank, begon te ontnuchteren. Hij rukte zich met geweldige wringingen los uit de arm-beknellingen, spoog, trapte en schreeuwde. Toen sprongen drie kerels tegelijk op zijn hals, stompten en trapten hem achterover en worgden den zeeman half den strot dicht. Hij reutelde naar lucht, sloeg zich de vuisten wond en viel, na een hevigen slag tegen den slaap, in zwijm.
Corry was nu feller bijgesprongen, maar Piet kwakte haar als een vod neer. Drie meiden bonden haar den